41
Wagenaar! Wagenaar toch heeft veel geschreven, heeft goed geschreven en is -
geen dichter.
Hoogstraten's
Lijst
, waarvan intusschen in 1759 een nieuwe uitgave was bezorgd
door den jeugdigen Adriaan Kluit, begon niettegenstaande de bezwaren, die er door
enkelen tegen werden aangevoerd, meer en meer een vraagbaak te worden voor
ieder, die zich omtrent het geslacht van een substantief wilde vergewissen. Dat
bleek o.a. uit de
Beknopte Aanleiding tot de kennis der Spelling
,
Spraakdeelen en
Zinteekenen van de Nederduitsche taal
door Klaas Stijl, uitgegeven door ‘Lambertus
van Bolhuis, Predikant te Oostwold, in den Oldambte’ (Gron. 1776).
1)
Aangaande de genera der substantieven verklaart Bolhuis: ‘De verwaarloozing
van deze geslachten is eene groote misslag, en niets is thans gemeener. Maar hoe
zal men het verbeteren? Min kundigen staan hier dikwijls verlegen, en de regels
der Spraakkunstenaars zijn doorgaans niet zeer nauwkeurig. Daar is echter een
veiliger weg geopend, die te vinden is in de
Geslachtlijst der zelfstandige
Naamwoorden
, welke opgesteld is door D. van Hoogstraten, aangevuld door
G. Outhof, en met nuttige aanmerkingen 1759 uitgegeven door A. Kluit. Op dit
spoor zullen wij onzen Leerling voorlichten.’
Bolhuis geeft ook regels. Maar hij waarschuwt zijn lezers, zich daar niet geheel
op te verlaten. Zij moeten ‘billijk denken, dat er duizend woorden over blijven, welker
geslacht men uit de opgegevene waarnemingen niet ontdekken kan. Men moet hier
het gebruik raadplegen, en daar in hebben wij Hoogstraten en Kluit in de
uitgegevene
Geslachtlijst
tot goede Leidslieden.’
2)
Het gezag, hetwelk men de hier genoemde lijst toekende, werd nog heel veel grooter,
werd in veler oogen onbetwistbaar, nadat Adriaan Kluit in 1783 de ‘aanmerklijk
vermeerderde en opgehelderde’ zesde uitgave in 't licht had gezonden. Een
kwarteeuw bijna was er verloopen, sinds Kluit den vijfden druk had bezorgd. Hij was
intusschen hoogleeraar te Leiden geworden en had veel gewerkt. Zijn arbeid draagt
daarvan de sporen. Niet alleen is de Lijst wederom aanmerkelijk uitgebreid - o.a.
zijn een aantal woorden opgenomen zonder bewijsplaatsen, alleen ‘op voorgang
der Spraakkunstenaren’ - een voorrede van grooten omvang getuigt nog
welsprekender van Kluit's verdiensten. Zoo wijdt hij niet minder dan tachtig bladzijden
aan het
1) Hoe men voor een eeuw op een onderwijzer - hoofd eener school - placht neer te zien, kan
men opmaken uit de volgende woorden van dominé Bolhuis:
‘Onze Schrijver Klaas Stijl, Geerdszoon, was Organist en Schoolmeester te
Midwolda
.
Verwondert zich hier iemand, dat ik het werkje van eenen Schoolmeester ten voorschijn
brenge; hy bedenke, dat men in de Wetenschappen geenen rang eerbiedigt, dan van Kundigen;
en dat kunde met goeden smaak in den kring dezer Bediening nog niet geheel is uitgesloten.’
(Voorrede, blz. I).
2) Blz. 64 en 73.
Taal en Letteren. Jaargang 2
Komentarze do niniejszej Instrukcji