9
ondergang met religieuze zekerheid; ons negentiendeëeuwsch natuurkundig verstand
denkt niet aan tegenstribbeling. Ons medelijden en onze vrees vergezellen den
Graaf, doch niet melodramatisch. Aesthetisch heeft hij ons hart gewonnen en onze
verbeelding gevangen gemaakt. Wij beminnen hem, omdat hij schoon is, en
bewonderen dat schoone om zijn zelfbewuste kracht en fierheid. Wij
willen
zijn
ondergang; onze verbeelding
wil
den tragischen val van het schoone, ons door den
kunstenaar in het verschiet gesteld. Gelijk alle geloof, ontspringt ook dit tijdelijk
geloof in het Fatum uit de behoefte om te gelooven. Aesthetische behoefte, het
voorgevoel dat medelijden en vrees zich straks ontslaan zullen van het pijnlijk
bewustzijn der onmacht, zullen overgaan tot het berustend op zich nemen van het
algemeene lot; dat de wanklanken van het kwaad en de smart zich in het
verzoenende eener symphonie van verheven schoonheid zullen oplossen, - de
behoefte aan die aesthetische verzoening is het die ons verstand tot gevangene
van het Antieke Noodlot maakt. - Een goed uitgangspunt, lezer, om hem die als
kind van dezen tijd niet meer begrijpt wat geloof is, het wezen des geloofs te
verklaren. Tevens blijkt hier dat gemoed en phantazie op het gebied der kunst niet
altijd in overeenstemming zijn met de verstandelijke wereldbeschouwing. Gewillig
begeven wij ons onder den invloed der nimmer zwijgende voorspelling, die, in
contrast met schitterende feestvreugde en vroolijken humor, over alles een stemming
van geheimzinnigen weemoed verbreidt. En juist dat ook Willem die
noodlotsstemmen niet veracht en toch den oorlog in zijn noodwendigheid met vrijen
wil aanvaardt, getrouw aan vorstenplicht en riddereer, het fiere hoofd niet buigt voor
het dreigen der profetie en met ongeschokt zelfvertrouwen zijn eerzucht als een
roeping volgt, den innerlijken drang naar grootheid en roem hooger achtend dan de
waarschuwing der sterren tot onderdanige beperking, - juist deze identiteit van
vrijheid en noodwendigheid ontneemt het Fatum het spookachtige eener valsche
‘schicksalstragödie’, verheft den held boven zijn noodlot, verheft ons boven den
druk van het leven, wijst Van Lennep onbetwistbaar een plaats onder de kunstenaars
aan. Het is hier geen intrigeroman, geen marionettenspel; hier is een mensch: een
groot doel en een groot lot.
Maar bedenk nu dat Willem geen hoofdpersoon is en wij, om hem, de
hoofdpersonen vergeten zijn.
En pas zijn wij het onbetaalbare tweede deel begonnen, of ook Willem is vergeten,
en met hem al de aantrekkelijke tafereelen en tooneelen, die onze oogen
voorbijtrokken. Van Arkel treedt op en eischt voortaan zoo niet
alle
belangstelling,
dan toch alle bewondering, in een bonte
Taal en Letteren. Jaargang 2
Komentarze do niniejszej Instrukcji