178
Voor den vreemde kon men deze uitdrukkingen zonder moeite vermenigvuldigen;
de gegeven voorbeelden zijn echter tot ons doel voldoende. Nog wil ik vermelden
voor het Nederlandsch taalgebied, de in Limburg gebruikte spreekwijze:
als de
klaver uit 't veld is
, om over te gaan tot een merkwaardiger tijdsbepaling, die in de
gemeenzame taal in Vlaanderen zeer veel gebruikt en ook wel eens in de Vlaamsche
schrijvers aangetroffen wordt.
Nooit
wordt aldaar steeds op komische wijze uitgedrukt
door de spreekwijze:
In 't jaar éen
,
als de uilen preeken
1)
. Zoo luidt zij in Vlaanderen;
te Maastricht schijnt zij ook te bestaan, en wel onder den vorm:
in et jaor ein esten
uil preek
.
Alles wat vooruitgezet is geworden ter verklaring van deze spreekwijze, laat zich
dadelijk voor weinig ernstig erkennen. Zonder nu op dit punt juist met beslistheid te
durven spreken, wil ik hier doen opmerken dat ook het Duitsch het
Jaar Een
kent,
en wel in het volgende spotachtig antwoord:
Es geschah im Jahr Eins
,
wo die Elbe
brannte
,
und die Bauern mit Strohwischen löschen kamen
2)
.
Ongelukkig kunnen wij voor den ouderdom noch der Nederlandsche noch der
Duitsche spreekwijze bewijsplaatsen bijbrengen. Het uitzicht dezer laatste is evenwel
geheel en al hetzelfde als dat van zoovele andere, waarin het komisch effect
verkregen wordt door een verwisseling van subject en praedicaat. Zulke omwerping
vindt men meer in de volkstaal. Vraagt het kind b.v. hoe veel het zal krijgen wanneer
het een of anderen kleinen dienst bewijst, zoo antwoordt de Vlaamsche moeder in
scherts:
Alle guldens drij maanden
.
Zulke omwerpingen zijn ongemeen talrijk in de letterkunde van vroeger
1) In de zeer vlijtig bewerkte verzameling volksgezegden en volksspreekwoorden door den heer
G.D. Francquinet uitgegeven in het tijdschrift
De Maasgouw
, onder den titel:
Hoe het Volk
spreekt te Maastricht
(jaargangen 1880-1886) beproeft hij, op nr. 2894 der verzameling, de
volgende verklaring: ‘Zou men den oorsprong van deze spreekwijze niet durven zoeken in
de volksovertuiging, dat, in tegenstelling van onze christelijke tijdrekening en van de prediking
van Gods woord, eene nieuwe jaartelling en vooral eene verkondiging van 't domme ongeloof
(hier verondersteld door een
uil
, beeld der duisternis en van 't onverstand) onmogelijk zijn?’
Behalve deze gissing, die wij laten voor wat zij is, werd van de spreekwijze nog een verklaring
geleverd in een boekje getiteld:
Overleveringen
,
Legenden en Bijgeloovigheden
,
Gebruiken
,
Uitvindingen
,
Gedenkstukken enz. der Menapiërs
, door J. De Smet pr. (Brugge 1886). Hij
beschouwt het woord
uil
daarin als een bijnaam in 1801 gegeven aan de priesters, die zich
voor de Fransche Republiek en haar aanhangers moesten verbergen en verplicht waren des
nachts te preeken. Van het bestaan van dezen bijnaam brengt hij geen bewijs bij, en om de
spreekwijze in zijne verklaring te doen passen, veroorlooft hij zich ze te wijzigen tot: In het
jaar éen, als de uilen
preekten
. Dat zij evenwel niet zoo luidt, en dat de volkstaal wel degelijk
het praesens bezigt, kan men zien uit Schuermans
Algemeen Vlaamsch Idiotikon
, i.v.
Jaar
.
2) C. Müller-Fraureuth. -
Die deutschen Lügendichtungen bis auf Münchhausen
, Halle 1881, p.
104.
Taal en Letteren. Jaargang 2
Komentarze do niniejszej Instrukcji