183
Gemakkelijk was die taak zeker niet, omdat Hooft's taal en stijl zoovele eigenaardige
moeielijkheden opleveren van zeer onderscheiden aard. Om Hooft's proza te
verklaren toch is kennis van de taal der zeventiende eeuw geenszins voldoende,
ofschoon onmisbaar. Hooft put uit den woordenschat van het Amsterdamsch zijns
tijds, 't is waar, maar schrikt niet terug voor het gebruiken van Noordhollandsche
dialectwoorden, die andere schrijvers vermijden. Hooft bepaalt zich niet tot de
spreektaal of gangbare schrijftaal, als hij om woorden verlegen is. Hij zoekt ze overal,
waar hij ze vinden kan: in oude keuren en geschiedbronnen, in oude liederen en
rijmen. Het proza van Hooft is archaïstisch gekleurd en de verwijzingen naar de taal
der middeleeuwen, waarmee Dr. Stoett nu en dan de aanteekeningen heeft verrijkt,
zijn allesbehalve ongepast.
Toch voldoet ook de nauwkeurigste kennis van onze middeleeuwsche taal nog
niet, om dat eigenaardig proza volkomen te begrijpen, want daartoe is allereerst
noodig, Hooft zelf te begrijpen in zijnen smaak, zijn streven, zijne methode van
werken, zijne hebbelijkheden, tot in zijne onhebbelijkheden toe. Hooft maakte zijn
eigen Nederlandsch. Ik bedoel daarmee nog niet in de eerste plaats, dat hij, om
‘puurlick Duytsch’ te spreken, alle bastaardwoorden overbracht in woorden van
Germaanschen oorsprong, 't zij nieuw gesmede, 't zij reeds vroeger beproefde.
Daarin staat Hooft niet alleen, zelfs niet vooraan. In Hugo de Groot vond hij te dien
opzichte zijnen voorganger en meester, in menig ander zijnen geestverwant en
medewerker. Daar hij zelf vreesde, dat zijne taal er hard en duister door worden
zou, schreef hij de bastaardwoorden zelf dikwijls aan den kant van den regel, waarin
zijne vertaling voorkwam, en wie zijn Nederlandsch niet zou verstaan, heeft er nu
in elk geval de commentaar in bastaardtaal naast.
Iets anders, waardoor Hooft zelf gewis niet waande het onmiddellijk genot van
de lezing zijner Historiën te bederven, maar wat voor het nageslacht ze juist zoo
moeielijk maakt, is het gebruik van woorden in ongewone beteekenis en het bouwen
van de zinnen naar ongewone, vaak onlogische regels. Geen onzer prozaschrijvers
schrijft, ondanks zijn purisme, zoo weinig zuiver Nederlandsch als Hooft. Hij was
het eens met hen, die meenden, dat onze taal niet alleen ‘geschuimd’, maar ook
‘gebouwd’ moest worden. Het eenvoudig proza der middeleeuwen, zoo ‘recht en
slecht’, zoo weinig beeldrijk, zoo regelmatig met zijnen grootendeels paratactischen
zinsbouw, voldeed niet meer aan de eischen der humanisten, die in de classieke
schrijvers, om eens een woord van Hooft zelf te gebruiken, ‘als doorverfd’ waren.
De oudere taal klonk hun in hare ongekunsteldheid al te naief; het oudere proza
maakte op hen den indruk van te waterachtig, ja te lamlendig te zijn; en zoo was
dan ook inderdaad het proza van hen, die in de zeventiende eeuw niet schreven in
den trant van Hooft en de zijnen. De woorden moesten, in overdrachtelijke beteekenis
gebruikt, stoute beelden of geestige gedachten voor den geest roepen; de zinnen
moesten door het gebruik van den hypotactischen zinsbouw
Taal en Letteren. Jaargang 2
Komentarze do niniejszej Instrukcji