Engel IB144 Instrukcja Użytkownika Strona 198

  • Pobierz
  • Dodaj do moich podręczników
  • Drukuj
  • Strona
    / 440
  • Spis treści
  • BOOKMARKI
  • Oceniono. / 5. Na podstawie oceny klientów
Przeglądanie stron 197
150
Ik ben wel een weinig bezorgd, dat sommigen, die met eenigen goeden wil aan dit
opstel begonnen, bij 't zien van dit versje er reeds meer dan half genoeg van hebben.
Reeds voor zij de opmerking hebben kunnen maken, dat het hier en daar vrij sterk
naar de tale Kanaäns klinkt, heeft reeds het opschrift hen afgeschrikt. Behooren
dan zulke gelegenheidsgedichten ook al tot de fraaie letteren? Wat gaat ons in 's
hemels naam het kind van de familie Pierson-Oyens aan?
Laat mij, voor er meer bedenkingen rijzen, tot voorzichtigheid aanmanen en voor
voorbarigheid waarschuwen. Herinneren wij ons, dat wij bloemen wilden bestudeeren,
door bloemen te bezien. Daarbij mogen we ons niet bepalen tot die, welke ons op
't eerste gezicht door kleur of vorm aantrekken; de andere dienen ook gekend, en
daartoe onbevooroordeeld bekeken te worden. Een slecht botanist, die van den
meidoorn niet weten wil, omdat hij zijn sterken reuk niet kan uitstaan. Die reuk is
voor den meidoorn even kenmerkend, als de kerkelijke geur voor Da Costa's gedicht.
Naderhand komen we hierop, gelijk op andere eigenaardigheden terug, om eerst
te zien, wat er waars is in het laatste verwijt.
Da Costa's ontboezeming is een gelegenheidsgedicht, dat is zoo. Het klinkt bijna
als eene beschuldiging. Gelegenheidsgedichten zijn een slecht genre in 't oog van
velen. Men denkt daarbij aan de versjes van eigen fabricaat, die in huiselijken kring
dienst doen bij kleine feesten of geschenken begeleiden, om niet te spreken van
de rijmelarij, die ieder op zijne beurt begaat, als het tegen den vijfden December
loopt. Maar bovenal - want die onschuldige aardigheden hebben zelden de
aanmatiging, voor poëzie te willen doorgaan - bovenal aan de gezwollen, gerijmde
en ongerijmde verzen, waarmee op hoogtijden grootheden van allerlei afmeting
gevierd, nuttige stichtingen ingewijd of gelden worden bijeengebedeld voor een
weldadig doel.
Doch moet men bij gelegenheidsgedichten alleen daaraan denken? Zijn ze
noodzakelijk alle van 't zelfde allooi? Toch niet. Want wat is eigenlijk een
gelegenheidsgedicht? Toch zeker een, dat naar aanleiding van deze of gene
gelegenheid is gemaakt? Toch zeker een, welks gedachten zijn opgewekt, door
eene of andere van buiten gekomen aanleiding?
Nu, zoo ruim opgevat, zijn immers alle lyrische ontboezemingen
gelegenheidsgedichten. Niets, ook niet het dichterlijk gemoed, wordt van zelf
bewogen. Bij volmaakte stilte trillen de snaren niet van die Eolusharp; maar als de
voorjaarswind er in speelt of de stormen van het lot zich verheffen, dan zingt of
klaagt het daarin, alsof het menschelijk leven zich zelf begeleidde. In dezen zin heeft
Goethe zijne verzen gelegenheidsgedichten genoemd en zei een ander - Geibel
meen ik -: ich muss nun einmal singen.
Maar plaats nu eens tegenover den gelegenheidsdichter, zooals hij zijn moest,
een' gelegenheidsdichter, zooals hij naar de gewone opvatting maar al te vaak is.
Hem ‘brandt de hand, die 't speeltuig spant, van 't innig boezemgloeien’ niet; hij
weent en lacht, hij juicht en klaagt op eigen of
Taal en Letteren. Jaargang 2
Przeglądanie stron 197
1 2 ... 193 194 195 196 197 198 199 200 201 202 203 ... 439 440

Komentarze do niniejszej Instrukcji

Brak uwag