103
Woordverklaringen.
Oom Kool.
Het geldersch
hij is om kôl
beantwoordt aan het hollandsch
hij is er om koud
.
Ongetwijfeld stelt zich daarbij een gelderschman als grondtype van die uitdrukking
een persoon voor, die uitgegaan is om
kool
te halen, en niet terugkeert, evenals
men om
zeep
gaat, en niet weer thuis komt. Eigenlijk beteekent de uitdrukking: ‘hij
ligt (er) over den kop’, waaruit die van ‘is omgekomen’ makkelijk te verklaren is
1)
.
‘Zou dit geldersche “om-kool” niet de naaste aanleiding geweest zijn tot het gewone
zeggen
Oom Kool
in de gemeenzame spreektaal? Wanneer iemand op straat
onverhoeds struikelt en valt, dan hoort men wel eens spottend aanmerken: daar ligt
Oom Kool’.
Blijkens oudere plaatsen
2)
beteekent de uitdrukking: iemand die verlegen of
beteuterd is: ‘omdat, wie valt en op den grond terecht komt, zoodat hij niet kan
opstaan, die maakt een mal figuur, zit in deerlijke verlegenheid’. Dit laatste zou de
jongere beteekenis zijn; de gang van zaken was aldus: men zei wel: ‘daar ligje
omkool (= over den kop)’; dit werd, toen men de beide laatste woorden niet meer
begreep: daar ligje, Oom Kool; waaruit weder in den 3
en
persoon: daar ligt Oom
Kool, ontstond.
Dr. W. Bisschop bracht hiertegen in, dat de door hem mee te deelen
1) Zij is uit de noordsche talen overgenomen: deensch: ‘den er omkuld’ = die ligt omver. In
Drente: hij is omkoud; in Noord-Friesland: hî is am kôl.
DE VRIES,
Taal en Letterbode
I, 48.
2) ‘Wel, dat zou een kostelijke liefde zijn, zou het niet? als wij dus gelegenheid gaven, om een
deugniet van kwaad tot erger te doen overgaan; in plaats van hem
Holla hei! jy daar!
toe te
roepen, en zo hij den dooven uithing, zo ouderwets bij zijne lurven te pakken, dat
Oomkool
wel begreep hoe weinig het zijn zaak bleef, dus den beest te spelen’,
ABRAHAM BLANKAART I, 160.
‘De hemel sta mij bij! ‖ Een ampt, mijn vader, hoe! en waar een ampt voor mij?’ ‖ - ‘Het mijne,
ik ga reeds af.’ -
Daar zat oom Kool te kijken
. ‖ ‘Een ampt! en zulk een ampt! dat zou mij
slecht gelijken!’
BILDERDIJK XII, 138.
‘Maar och lacy! de koe wilde niet voort. Als Tondalus stond of ging, dan viel de koe, en als
de koe stond,
dan lag 'er Oom kool toe
’.
TUINMAN,
Spreekw
. I, 153.
Taal en Letteren. Jaargang 2
Komentarze do niniejszej Instrukcji