199
benoemd. De benoeming nu is iets van later zorg. Het komt er op aan, dat men
in
zich-zelven
weet waar te nemen, wat men, terwijl men hoort zeggen
Het paard zag
ik loopen
,
Ik zag het paard lóópen
etc., eigenlijk met zijn verbeelding ziet en
hoe
men dat ziet. Ziet men het
páárd
, dat loopt of het
lóópende
paard, ziet men het
slachten
, of het
paard
dat geslacht wordt, of ziet men soms het eene evenzeer als
het andere, òf dàn dit, dàn dat? Zou het niet afhangen van omstandigheden (van
den samenhang des verhaals dus ook), wát men eigenlijk aanschouwt en zullen
die omstandigheden ons niet tot
verschillende
ontleding nopen? In 't algemeen, als
men niet fijner onderscheiden wil, is ‘
zag
- gezegde,
het paard loopen
,
het paard
slachten
- voorwerp’ misschien het beste. Een stapje moeten wij nu nog verder. In
den zin
Ik zag het paard slachten
kan men hem
die slacht
ook noemen:
Ik zag den
man het paard slachten:
het paard voelt men hier dadelijk als voorwerp van 't
slachten: ten opzichte van het slachten en den man kan men nu weder op meer
dan een manier te werk gaan:
man
- voorw.,
het paard slachten
- bepal. v. gesteldh.,
d.i. ik zag hem in 't slachten van het paard; of:
dat de man etc.;
of:
slachten
- voorw.,
het paard
- voorw. v.
slachten
. Dit toepassende op
Hagar
1-2 krijgen we:
ge
-
onderw.,
zaagt
- gezegde,
wonderen
- vrw.,
vereeuwigen
(
een grond
) - bep. v.
gesteldh. (d.i.
terwijl
zij den grond vereeuwigden),
den grond
- voorw. v.
vereeuwigen;
of met ontbinding in een voorwerpszin; of:
vereeuwigen
- voorw., met aanduiding
dat de wonderen daarvan het onderwerp en de grond het voorwerp is.
4. Er kon ook staan: ‘golven
van
steen en rots,’ ook ‘golven steens,’ evenals
‘golven vuurs,’ ‘tongen van vuur’: die genitief noemt dan de stof, waaruit iets is, en
dezen brengt men wel onder den
partitieven
genitief, die het geheel noemt, waarvan
een deel is genomen.
5. Merk op dat de zelfstandig gebruikte Infinitief, zijn verbaal karakter behoudend,
een bijwoordel. bepal. bij zich heeft. Zoo kan hij ook met een voorwerp staan: God
vreezen is het begin van alle Wijsheid. Het onderscheid tusschen den zelfstandig
gebruikten Infinitief en het werkwoordel. (verbaal, abstract) substantief (hier dus
vrees
) is, dat men bij den Infinitief (tenzij het verbale geheel verloren is gegaan, als
in
geheugen
,
vermogen
,
mededoogen
,
eten
,
drinken
,
genoegen
e.d.) min of meer
bewust blijft, dat de handeling van iemand of iets uitgaat; het verbaal substant. stelt
de handeling voor als iets op zichzelf bestaands, los van zijn subject. Niet altijd
echter maakt dit een onderscheid in 't gebruik. De bijw. bepal. en de voorwerpsbepal.
van den Infinitief
Taal en Letteren. Jaargang 2
Komentarze do niniejszej Instrukcji