107
‘Insonderheyt ast jou niet en cost, dan sel jet niet sparen.
Wat gelt jou de waghen-huir, as ghy mee vaert?’
De beteekenis is dus: het kost je immers niets (als je met een ander meerijdt)?
Men ziet gemakkelijk in, dat de uitdrukking ‘'t gelt u de waghen huer’ zoowel bij
Coster als bij Breero beter wordt weergegeven door ‘jou kost het niets’ dan door ‘gij
bespaart er kosten door, gij haalt er een winstje uit’.
R.A.K.
Sprokkel.
Nêmhart = Jan Grijp.
In dit Tijdschrift werd door den heer N.A. Cramer aangetoond, dat de samenstellingen
met -hard, -ulf, -rik en -bold met slechte beteekenis, gevormd zijn in analogie met
uitdrukkingen als Jan Rol, Jan Pleizier, Jan Smeer e.a. Vinden wij in het opgemerkte
ook niet den oorsprong onzer afleidsels met
rik
. stomme-rik (= Jan Stom), domme-rik,
botte-rik, luie-rik? De verklaring dat
erik
hier tot het deminutief
ik
in vuilik (= vuil-tje)
staat als -eling tot -ing, -enaar tot -aar, -erig tot -ig (bloederig = bloedig) vervalt dan.
De elders reeds gegeven verklaring:
rik
in stommerik =
rijk
in ongunstige beteekenis
verkrijgt in het opstel van den heer Cramer dan hare bevestiging. Moet eindelijk
langs den aangewezen weg het Overijselsche (ook Drentsche en Groningsche?)
teuta
en
lulla
verklaard uit de werkw. teuten en lullen, door middel van het
achtervoegesel -
a
dat in een groot aantal aan het Latijn en het Grieksch ontleende
vrouwelijke eigennamen als geslachtsteeken voorkomt (Cornelia, Maria, Carolina;
Sophia, Agatha) en ook bij oorspronkelijk Germaansche namen als kenteeken van
het vrouwelijk analogisch is opgetreden (Hildegonda, Bertha, Wilhelmina, Gerritdina,
Hendrika; vgl. Klazina, Jantina e.a.). Het is waar, dat
teuta
en
lulla
niet
alleen
van
vrouwen gezegd worden. Maar wij meenen toch: voornamelijk. De beide woorden
zouden in vorming volkomen gelijk staan met de samenstellingen (afleidsels) met
-rik, -hard, -wolf en -bold en met het manlijke
Jan Teut
en
Jan Lul
(die beide in
Overijsel gehoord worden) overeenkomen. Wij nemen de gelegenheid nog waar,
om hier den term
Jan Toag
te noteeren: het is Overijselsch, voor een kind dat gaarne
dingen verdraagt en versleept, een ‘toagert’ (van toogen = trekken en dragen): ‘'t is
net as 'n jong 'ond, ie toagt overal mee’ (Meppel). Overijselsch is ook ‘een
Piet Lut
’
(d.i. Piet Klein) d.i. een
kleinzeerig
man. Hiervan het adjectief
pietluttig
, dat veel
gebruikt wordt, meestal = kleinzeerig, zoo goed van vrouwen als mannen, doch,
althans te Zwolle, ook van vitzieke lieden wien alles tot in de kleinste bijzonderheden
naar den zin moet zijn. Naast
Jan Seur
staat geen Seura. Ook
Jan Zanik
heeft geen
vrouwelijk.
V.D.B.
Taal en Letteren. Jaargang 2
Komentarze do niniejszej Instrukcji