97
je
na den gutturalen neusklank een gutturaal ontploffingsgeluid wordt ingelascht,
zóó na een dentalen neusklank een dentaal ontploffingsgeluid, na den labialen
neusklank een labiaal ontploffingsgeluid; m.a.w. koni
ng
staat tot koni
nk
je in dezelfde
verhouding als Ja
n
tot Ja
nt
je, bloe
m
tot bloe
mp
je. Evenzoo kan men met woorden
als koninklijk vergelijken ordentelijk en de uitspraak wezentlijk voor wezenlijk. De
genoemde verandering van
ng
behoort dus in de hedendaagsche spraakkunst niet
genoemd te worden onder de gevallen van verscherping maar onder die van
inlassching van medeklinkers.
c
. Slotmedeklinkers. De gewone formule: ‘men bezigt alleen scherpe
sluitletters’ of ‘onbuigbare woorden worden met een scherpen slotmedeklinker
geschreven’ ziet de in dezelfde boeken, waar zij voorkomt, gemaakte verdeeling
der medeklinkers voorbij. Immers worden, zooals reeds is opgemerkt, alleen de
zoogenaamde vaste letters in scherpe en zachte onderscheiden; de regel zou dus
inhouden, dat geen woord op een vloeiende letter of
w
kan uitgaan. De formule
moet derhalve luiden: ‘Men bezigt in 't Nederlandsch geene zachte slotmedeklinkers’
uitgezonderd in de gevallen, die dan genoemd worden) of: ‘zachte medeklinkers
worden aan het einde van een woord verscherpt.’
De
ch
als stomme medeklinker in de verbinding
sch
.
De meeste spraakkunsten verzuimen op te merken, dat wij hier met eene
etymologische spelling te doen hebben, tot wier verdediging men zich alleen op het
gebruik beroepen kan. Die spraakkunsten, welke mededeelen, dat
sch
uit
sk
ontstaan
is, geven toch niet nauwkeurig op, in welke gevallen
sch
in de uitspraak tot
s
werd.
De regel zou als volgt kunnen worden geformuleerd: ‘De verbinding
sch
behield
hare uitspraak aan 't begin van eene lettergreep, op welke de klemtoon valt,
uitgezonderd voor
r;
in alle andere gevallen is zij tot
s
geworden. Op weinige
uitzonderingen na schrijft men met het oog op de afleiding
sch
.
Het samengestelde letterteeken
ch
.
In sommige zeer gebruikelijke spraakkunsten lees ik, dat de
ch
zoo geschreven
wordt omdat zij voorheen werd uitgesproken als
k + h
. Deze opmerking zou ik
voorstellen, in eene volgende uitgave achterwege te laten. Het document moet nog
gevonden worden, waarin woorden voorkomen als makht, of die zóó moeten worden
uitgesproken. Heeft de schrijver gedacht aan de Hoogduitsche ch, die inderdaad in
vele gevallen langs kh uit k ontstaan is? Of heeft hij de spelling van het Nederlandsch
uit door hem vooronderstelde Indo-Germaansche toestanden willen verklaren? In
elk geval is de opmerking onjuist.
Taal en Letteren. Jaargang 2
Komentarze do niniejszej Instrukcji