116
Nieuw-Nederlandsch.
2. C. Huygens' Zede-printen, vermeerderd met de tot dusver
onuitgegeven print van ‘een professor’ en van inleiding en
aanteekeningen voorzien door H.J. Eijmael. Groningen, 1891.
f
1.25.
In afwachting van Worp's volledige Huygens-uitgave, waarvan wij nu het eerste deel
weldra te gemoet kunnen zien, ontvingen wij niet lang geleden eene afzonderlijke
uitgave der Zede-printen, vollediger dan ooit te voren, daar de uitgever, de Heer
H.J. Eijmael, er ook eene totnogtoe onuitgegeven en door Dr. Worp voor hem uit
het handschrift afgeschreven print van ‘een professor’ in heeft opgenomen.
Daar deze uitgave van verklarende aanteekeningen voorzien is, is zij allesbehalve
overbodig: integendeel, aan goede aanteekeningen op de Zede-printen bestond
reeds lang behoefte, omdat geen werk van Huygens, zijn
Daghwerck
alleen
uitgezonderd, zoovele duistere, althans moeielijke, plaatsen bevat als deze bundel,
die nochtans te veel aardigs en geestigs inhoudt, om voor den leek een gesloten
boek te blijven.
Huygens schreef het werk in Den Haag gedurende de tweede helft van het jaar
1623, zooals blijkt uit de print van ‘een waerd’, waarbij hij niet alleen
in margine
dat
jaartal heeft gevoegd, maar waar bovendien de politieke toestand van Europa wordt
geschetst, zooals die in de tweede helft van dat jaar was. De voorlaatste print, die
van ‘een professor’, was den 7
den
October 1623 voltooid, en de opdracht is
geschreven na 7 Febr. 1624, den sterfdag van Huygens' vader, ‘die nu, van het
eerst verlost, 't ander leven heeft begost’, zooals de dichter daarin zegt, onder
dankbare erkenning van hetgeen hij aan zijns vaders zorgvuldige opvoeding te
danken had.
Door den dood van Christiaan Huygens was de oudere broeder van onzen dichter,
Maurits, het hoofd der famielje geworden; vandaar waarschijnlijk, dat aan dezen
het werk werd opgedragen, ofschoon de onderlinge genegenheid der gebroeders
er al mede toe kon geleid hebben. Maurits was bovendien kort te voren, 9 Januari
1624, zijnen vader als secretaris van den Raad van State opgevolgd en dus eene
vlag geworden, waaronder de lading veilig en met eere tzeil kon gaan.
Dat onder eigen vlag de lading door sommigen als contrabande zou kunnen
beschouwd zijn, blijkt reeds uit de keus van het woord ‘Voorspraeck’ voor de
opdracht. Het beteekent niet alleen ‘voorrede’, maar ook ‘verdediging’, en doelt op
het verwijt, dat den dichter door een ons onbekend, maar hooggeplaatst persoon
in 1623 gedaan was en reeds toen door hem was beantwoord in een gedicht
‘Gedwongen onschult’ (te vinden in de
Otia
1625, b. VI, bl. 87-93 en in de
Korenbloemen
1672, I, bl. 444-449). Uit dat gedicht, dat ik in deze uitgave gaarne
als bijlage opgenomen had gezien, vernemen
Taal en Letteren. Jaargang 2
Komentarze do niniejszej Instrukcji