382
het zin-accent de woorden bijeenkoppelde?
1)
Let eens nauwkeurig op hoe wij nu
nog lezen; en merk dan dat wij vaak het woord - en psychologisch juist - in brokken
deelen. Als wij nu zoo schreven, mag dan met 500 jaar een dan-uitgever dit aaneen
brengen?
Trouwens ‘waar eenige twijfel aangaande de bedoeling kon bestaan, hebben we
alles onveranderd gelaten.’
Maar dit slaat niet, op wat ik zoo even besprak; al is te prijzen dat men zich hier
onthield; bizonder goed is, dat men dit evenzoo deed, ‘waar de leden der
samengestelde werkwoorden, of partikels als
daer mede
,
om dat
, enz. niet aaneen
gedrukt waren; indien dit meer dan eene enkele maal geschiedt, blijkt er uit dat die
woorden voor het taalgevoel van dien tijd nog niet geheel tot éen woord
samengegroeid waren: veranderen ware dan moderniseeren.’
Geen kritische tekst dus. Gelukkig. Die was, als uiteraard bij elke kritische
reconstructie, slechts bij benadering vast te stellen. Hoe duidelijk ook veelal
blijkt dat er iets anders gestaan heeft, de juiste bewoording valt niet altijd met
zekerheid op te maken.
2)
Maar vooral ‘hetgeen ons weerhouden heeft van de poging
zoodanigen kritischen tekst te geven is de overweging dat wij hiermede zouden
vooruitloopen op de tekstkritiek van Reynaert II’. Toch zijn er fouten verbeterd; of
voorslagen gedaan. Maar daarin bevalt me dit werk juist: die zijn zoo sceptisch
gegeven. ‘Wellicht hebben wij (de uitgevers) hier gezondigd door eene te groote
diplomatische angstvalligheid; doch het is stellig veiliger en beter naar deze dan
naar de andere zijde te verdrijven.’ Terecht; het wordt tijd dat deze reactie komt.
Uit Inleiding en Aanteekeningen is veel te leeren. De eerste bevat, waarin deze
prozatekst met onzen Reynaert II verschilt. Daar zijn de grammatische bizonderheden
opgeteekend. Deze en de eigenaardige wel speciaal hollandsche woorden wijzen
er op, dat hij in ‘Zeeland of Zuidholland, waarschijnlijk door een clerc vervaardigd
is.’
De Aanteekeningen moeten de plaatsen ophelderen, welke ook deskundigen niet
op het eerste gezicht duidelijk zijn.
3)
Zij maken dus den tekst lees-
1) Daar heeft ook Kluge in de Engl. Studiën (?) over geschreven. Natuurlijk is dit nog meer
wenschelijk voor oude hss. Maar voor een druk van de XV
e
eeuw, naar een hs. wel genomen,
lijkt het mij niet overbodig.
Vgl. voor de eigenaardigheid wat omtrent de nieuwe kunst-taal Byvanck meedeelt over
Panl Claudel,
Spectator
'92, N
o
. 27, blz. 219
a
. En zie ‘Mei’ van H. Gorter.
2) Inleid. XXXVII.
3) Dat de lezing in
G
onecht zou wezen, als R. II met
h
of
C
van
G
afweek, is, dnnkt mij, lang
niet zeker. Ons hs. van R. II (b) is dan het eenige, dat bestaan heeft? En
G
kan dns geen
ander gebruikt hebben dan
b
, dat beter was? De eene waarschijnlijkheid is m.i. even groot
als de andere.
Behalven om andere redenen, waar ik later meer van hoop te zeggen; is ook Caxtons
engelsche vertaling van belang voor den kritiek van den Reinaert!
Taal en Letteren. Jaargang 2
Komentarze do niniejszej Instrukcji