16
de mensch het gelukkigste wezen?
- In beide gevallen zijn de superlatieven
betrekkelijk, doch de eerste twee zijn bijwoordelijk, de laatste bijvoeglijk. De
bijwoordelijke superlatief onderscheidt zich hier weder van den bijvoeglijken door
zijne onverbuigbaarheid.’ Waarin nu het verschil in gebruik gelegen is, zegt de
schrijver niet; hij raadt slechts aan, er op te letten. Uit de voorbeelden echter blijkt
duidelijk, dat hij het verschil op dezelfde wijze wenscht op te vatten als b.v. geschiedt
in de Nederl. Spraakkunst van P. Kat Pzn., blz. 173, § 576: ‘Men onderscheidt den
bijvoeglijken
van den
bijwoordelijken superlatief
. Den eersten bezigt men, wanneer
men zelfstandigheden ten opzichte van dezelfde hoedanigheid met elkander
vergelijkt:
Deze man is de knapste van al de werklieden
. - Vergelijkt men echter de
hoedanigheid van denzelfden persoon of dezelfde zaak op verschillende tijden of
in verschillende omstandigheden, dan bezigt men den bijwoordelijken superlatief:
Deze jongen is het tevredenst
,
wanneer hij aan den arbeid is. - De rivier schijnt bij
hare kromming het diepst te zijn
. - De superlatieven
het tevredenst
,
het diepst
zijn
bijvoeglijke naamwoorden, terwijl de superlatiefvorm met dien van 't
bijwoord
overeenkomt.’
In de Spraakkunst van T. Terwey wordt het verschil in gebruik nagenoeg op
dezelfde wijze aangegeven.
We lezen daar n.l. blz. 79, § 185: ‘De overtreffende trap is de vorm des adjectiefs,
die aanduidt, dat eene zelfstandigheid, vergeleken met ééne of meer andere, eene
hoedanigheid in de grootste mate bezit;’ en op blz. 80: ‘Nog verdient opgemerkt te
worden, dat men den overtreffenden trap van het bijwoord als bijv. naamw. gebruikt,
wanneer men den toestand van ééne zelfstandigheid vergelijkt met een
gelijksoortigen toestand onder andere omstandigheden:
Hij is het gelukkigst
,
wanneer
hij rustig kan werken
. Verg. hiermede:
Hij is de gelukkigste van alle menschen
.’
Trachten we nu, aan de hand van die Spraakkunsten, de opgegeven superlatieven
grootst
en
roemrijkst
te benoemen, dan geraken we in moeielijkheden. De vormen
komen overeen met die van het bijwoord, dus zouden moeten worden ingedeeld
bij de
bijwoordelijke
superlatieven. Gaan we echter de beteekenis na, dan zien we
dat hier de bedoelde namen, die de Oudheid had, ten opzichte van de
hoedanigheden
groot
en
roemrijk
vergeleken worden met alle andere namen, die
de Oudheid had; we hebben hier dus een geval, waarin volgens het in de
Spraakkunsten gegeven onderscheid, de superlatief van het adjectief moet worden
gebezigd. De ter ontleding opgegeven vormen zijn dus in strijd met wat in het
handboek geleerd is; - voor den candidaat een lastig geval.
Taal en Letteren. Jaargang 2
Komentarze do niniejszej Instrukcji