377
gerigt
. De weglating van het onderwerp in zinnen als den tweeden wordt in het
Woordenboek der Ned. taal
afgekeurd op grond, dat zij bijzinnen zijn en
samentrekking alleen geoorloofd is bij de nevenschikkende zinsverbinding. Wanneer
echter, gelijk wij
T. en L.
II, p. 88 meenen te hebben aangetoond, het woord
of
inderdaad het nevenschikkende voegwoord is, vervalt dit bezwaar en behoort men
dus ook geene aanmerking te maken op P.'s constructie.
vs. 450.
vijftienjarig ijdel streven
. Bontekoe was, toen het ongeval plaats had, 31
à 32 jaar; hij had dus van zijn 16
e
jaar af ter zee gevaren. Nu was hij door 't verlies
van zijn schip teleurgesteld in de hoop, Indië te bereiken.
vs. 453.
Ooster-Oceaan
voor
Indische Oceaan
.
vs. 455. Hij zag nog slechts lucht en kon dus aangaande de aanwezigheid van
land alleen gissingen maken.
vs. 456, enz. Voor de volgende regels zie men de
Inleiding
p. 214.
vs. 459.
gedacht
, impf. van
gedenken
, met een' acc. als oorz. voorw. Men
vergelijke
dat uur gedenken
en
aan dat uur denken:
hoeveel inniger, ernstiger
beteekenis heeft het minder gewone eerste, dan het alledaagsche laatste woord.
Wij zouden achter
gedacht
eene dubbele punt plaatsen; nu volgt toch in enkele
woorden de opsomming der bijzonderheden van de ramp.
vs. 463.
noodgeschrei
. In enkele samenstellingen heeft
geschrei
de oudere
beteekenis van
geschreeuw;
behalve
noodgeschrei
leest men ook:
krijgsgeschrei
,
lofgeschrei
,
veldgeschrei
,
wraakgeschrei
. Zie
Wdb. der Ned. taal
i.v.
geschrei
.
vs. 465, 466. De tucht aan boord had opgehouden: ter sluiks ontvluchtten velen
het brandende schip. Maar toen het gevaar dreigender werd, begon ook alle
zelfbedwang te ontbreken: het wilde gedrang toch moest de kans op lijfsbehoud
voor de vluchtenden zelve doen afnemen.
Sluike vlucht
voor ‘vlucht, die ter sluiks
geschiedt.’ P. bezigt het subst.
sluik
hier als adject.; dat gebruik is niet boven
bedenking verheven, maar vindt een' tegenhanger in
laaie brand
naast
lichter laaie
branden
.
vs. 471.
van heil en hoop
, vóór het ongeluk,
van vlam en vier
, tijdens de ramp.
Dieuwertjen
vs. 4.
vast peinzend:
‘al peinzend’, vgl. de aant. op vs. 29.
vs. 7.
jij wierp:
voor het onuitspreekbare
wierpt
.
vs. 8.
mutserd:
‘takkebos.’
vs. 9.
als jeukte mijn scheen:
‘als had ik eene blauwe scheen, een blauwtje
geloopen.’ Want wie eene blauwe scheen heeft geloopen, d.i beloopen, zal die gaan
wrijven, als jeukte het hem. Men zegt: eene
blauwe scheen loopen
, wijl een schop
tegen het scheenbeen eene geweldige pijn veroorzaakt en de afwijzing van een
minnaar daarmee
Taal en Letteren. Jaargang 2
Komentarze do niniejszej Instrukcji