167
Vele bestaan uit een wortelwoord met een uitgang.
Een gierigaard zal men aldus in Vlaanderen
Gevaert
heeten, waarbij niet zelden
gevoegd wordt:
Gevaert
is dood, maar
Hebbaert
leeft nog;
een traag mensch:
Jan Tijdgenoeg
;
iemand die den rijke uithangt, maar eigenlijk niets bezit, het type van den armen
edelman in één woord:
Baron Geegoed
(= geen goed, geklemtoond op de eerste
lettergreep). Hij voert de firma:
Pauvreté
,
Misère et Cie
.
Waant zich iemand heel verstandig, zoo noemt men hem
Rappaert
of
Slimbroeck
,
of ook wel, zooals in Limburg,
Slimmeke
. Vaak wordt alsdan een zinspeling op een
der heldendaden van
Slimmeke
toegevoegd: ‘Als
Slimmeke
dood is, gaat het, zal
men u
Slimmeke
maken;
Slimmeke
ging voor den spiegel staan met zijn oogen toe,
om te zien hoe hij er uit zag terwijl hij sliep!’ In Overijsel kent men
Leepertje:
Als
Leepertien
dood is, söl ie
Leepertien
worren (zult gij L. worden).
Aan ondeugende kinderen wordt beloofd dat ‘zij zullen mogen meegaan op
Thuisblijver
zijn wagen.’
Ook door samenstelling kunnen dergelijke eigennamen gevormd worden, 't zij bij
middel van adjectieven en substantieven, 't zij dat de gedachte die men indirekt wil
uitdrukken, ligt opgesloten in of wordt voor den geest geroepen door een plaatsnaam.
De volksgeest bekommert er zich weinig over of deze al dan niet bestaat. Is de
naam reeds voorhanden, zoo wordt hij aangewend; doch in zeer talrijke gevallen is
hij een schepping van den ‘Volkswitz.’
1)
Zoo krijgt b.v. een vrouw die weinig begrip heeft van de reden waarom de natuur
haar lachspieren heeft geschonken, in de volkstaal tot naam:
Madam
Moe-van-Lachen
. Volgens het Noord-Nederlandsch taalgebruik, behoort zij te
Grimberg
te huis, of is wellicht te
Botterdam
, de stad der botteriken, gedoopt.
Overigens, zegt De Brune, een thans nagenoeg vergeten schrijver der 17
e
eeuw,
‘men vind menschen die alles op het wrevelighste nemen en op het schots duyden,
wat haar voorkomt: die gheen ander vaart en hebben als op
Spitsbergen
om haecken
en
harpoenen
te ghebruycken.’
Zulk een dame is gewis een nicht van
Madam van Kwikkelberge
. Kwikkelen
beteekent in Vlaanderen pruttelen. En zij heeft mogelijk verwanten in het huis van
Klappenburg
, waar de praters en klappers van daan zijn, die allerlei nieuwtjes te
verhandelen hebben.
Laat ze intusschen maar goed opletten, want nevens
Klappenburg
ligt
Kloppenburg
, d.i. de plaats waar kloppen of klappen worden uitgedeeld.
Voorzichtiger is het daarom met de zwijgers tot
Zwijgland
te behooren.
1)
W. Bisschop wees reeds op dergelijke vormingen in den
Taalgids
, 8
e
jaarg., p. 33. Aan dit
opstel ben ik al de voorbeelden verschuldigd, getrokken uit
De Brune
. Ik onthoud mij derhalve
van de opgave der bladzijde, daar ik dezen in België onvindbaren schrijver niet uit eigen
aanschouwing ken.
Taal en Letteren. Jaargang 2
Komentarze do niniejszej Instrukcji