
340
eig. mensche-leeftijd; en met Roelofsen, uit ‘Roelofsoon’, vgl. ook wimper,
dat uit wenkbrauw is ontstaan
1)
.
Tot dit soort hooren ook de plaatsnamen op -
um
; thans is 't een toonlooze uitgang;
oorspronkelijk een substantief ‘heim’
2)
. Nog in Arnhem, meest als Arn of Aar
uitgesproken, heeft het een voller vorm; in Dokkum, Gorkum e.a., de onherkenbare.
Maar ook hier zijn analogie-formaties. Het toonlooze -
um
, dat men evengoed -
em
kon schrijven - en zoo werd 't vaak geschreven - ging wel in -
en
over; b.v. Harlingen,
en de eigennaam ‘van Eeghen’, naast een evenoud Harlingum, en van Eeghem
(een plaatsje in Vlaanderen); en omgekeerd maakte men van een uitgang -
en
, van
een geheel anderen oorsprong, -
em
, -
um
. Ik bedoel niet alleen in schrift, maar
allereerst in uitspraak
3)
.
Men voelt deze soort samenstellingen geheel als enkel-woord. Nu kan 't gebeuren
dat men achter zoo'n woord een ander weer voegt, waar de beteekenis nog helder
van was. Ik herinner me alleen ‘Ezon-stad’, welbekend; 't zou gelegen hebben aan
de Lauwes-ee
4)
; in de buurt waar nog de Ezumer-zijlen zijn.
Met -gom, dat ‘man’ beteekende, heeft men de samenstelling bruidegom,
brui-gom. Dit is ook een enkel-woord geworden, men kent -gom niet meer, weet
niet meer wat het beteekent
5)
. In 't Friesch zou 't met de gewone klankovergang
luiden als breig , (geschreven als breigim, -em, -um); men heeft er evenwel nog
-man achtergevoegd
6)
;
1) Vgl. ook lat. quî < quoi = quo (wie) + î, aanwijzend partikeltje, en sub uit *(e)x-ub, Brugmann,
Grundriss-Indogerm. Gramm., II, 1, § 2. - Lees ook de etymologische hypothese omtrent
woorden als
nest
,
vorst
,
hooren
,
toonen
na bij Franck; om iemand wat kijk te geven op den
aard der taalverandering, zie omtrent woorden als
sidderen
,
beven
of
deed
,
hield
, waarin
men zonder zuivere etymologie de qualiteit der klanken geheel verkeerd zou beoordeelen.
2) Vgl. nog 't friesche ‘hiem’; 't frankische heem-raad.
3) Onze aardrijkskundigen mogen derhalve wel een beetje voorzichtig wezen met alle -
um's
van
tegenwoordig uit -
heim
te verklaren. - Vgl. een analoog geval met -
ida
dat -
ēde
, -
hede
werd,
en dat met -
heid
dooreenliep; Franck, Zs. f.D. Altert. XXV, 45.
En de samenstellingen op -
wolf
,
rik
. Verdam, Geschied. 130/1. Vgl. ook bliksem-drigh naar
vaandrig, van Helten, Vondels Taal I, § 77.
4) Zie Mr. Andreae, Vrije Fries XIV, 224; en de literatuur daar.
5) Het kwam in 't oudsaksisch en gotisch nog zelfstandig voor: gumo, guma. Dat het in de
germaansche dialecten tot een achtervoegsel was geworden, maar zonder vormkracht, blijkt
uit de verschillende vormen: engl. bridegroom; in andere beteekenis wordt ‘groom’ nog
afzonderlijk gebruikt; hd. bräutigam, mhd. brutegome, ohd. brûtigomo.
6) Ook het oudhoogd. heeft gomman = gom + man in de gespecificeerde beteekenis echter van:
echtgenoot. Dat in brei-geman de oude vorm van ‘gom’ zou zitten, is onmogelijk omdat 1
o
.
gom-, het accent had, 2
o
. de stam ‘goman’ niet anders bestaat dan als abstractie; zie blz.
357.
Taal en Letteren. Jaargang 2
Komentarze do niniejszej Instrukcji