168
Zonderling ook is de eigennaam welken men aanwendt, wanneer een huwbare meid
beweert dat ze niet zal trouwen. Ja, zegt het volk, ‘wacht tot
Jan van Pas
zich eens
aanbiedt!’ In dezelfde omstandigheid gaf De Brune de volgende waarschuwing aan
de vrijsters die zich al te moeilijk toonen: Let maar goed op, dat het u niet gaat ‘als
vrijers, die
keurboom
voorbijgaande, zich daarnaar met
vuylboom
genoegen moeten.
En dan raecken zulcke noch dickwils in de Zorghoeck’.
Een trouwlustig juffertje heet bij Breero (
Symen
vs. 339)
Lijsje waar is Jan?
Ook
zoo bij Coster (
Teeuwis
363). In de oude kluchten is
Lijsje
tamelijk algemeen de
naam der vrouw, als
Jan
voor den man; in verscheidene gewesten o.a. Vlaanderen
en Overijsel, zegt men heden meestal
Trien:
b.v. een gekke
Trien
, een domme
Trien
, een hölte
Trien; Tjanne
voor een boerin,
Peet
of
Pee
voor een boer.
Algemeen nog in zwang is de benaming
Kruidje-roer-mij-niet
voor een
onverdraagzaam mensch.
Teuntje Roert mij niet
in Breero's
Symen
toont zich al
niet erg handelbaar en scheldt dan ook Symen braaf den rug vol. Ook in 't Fransch
kent men
Mamzelle Nitouche
(= n'y touche).
In
Lidewijde
(p. 230) komt een Juffrouw
ongeloof
voor. Busken Huet schreef een
kleine letter, doch het schijnt mij niet twijfelachtig of wij hebben hier weer een gansch
op dezelfde wijze gevormden fictieven eigennaam.
In dezelfde categorie behoort de schutter tehuis in het West-Vlaamsch
spreekwoord: ‘
Bijkans
schoot een musch, maar hij had ze niet.’
Op die wijze wordt het publiek tot
Heer Omnes
, dat bij Breero (
Griane
2759,
Molenaer
17) voorkomt als gemeen zelfstandig naamwoord. ‘Het
heromnenes
is
van alle deught vervremt’, zegt Triin Jans. Wij gebruiken in denzelfden ongunstigen
zin
Jan Alleman
.
Niet alleen voor personen worden zulke namen uitgedacht; ook voor dieren of
zaken, zelfs voor zekere handelingen.
Wil men b.v. een hond als leelijk bestempelen, zoo heet hij:
Te-lang-uit-'t-water
.
Wenscht men uit te drukken dat men voor iets onverschillig is, zoo verzint de
volksgeest een opschrift, en zegt men in Vlaanderen: Ik woon in 't
Plezierken
. Deze
uitdrukking steunt op het antwoord ‘dat doet me plezier’, in menig geval slechts een
euphemisme voor: ‘dat kan me niet schelen’.
Een ‘Spel van
Bedriegt-den-Boer
’ is een gezegde dat in Vlaanderen vaak op den
strijd der politieke partijen wordt toegepast; vooral wanneer er sprake is van
belastingen, waarbij steeds herinnerd wordt aan een volkslied met het refrein: ‘De
boer zal 't al betalen’. Daarmede wordt bedoeld dat de grooten aan het roer den
gemeenen man om den tuin leiden; geen wonder ook, dat de spotlustige volksgeest
voor de geheele ‘komedie’ (want
spel
moet men hier in zijn middeleeuwschen zin
opvatten) een naam verzon.
Mede een fictief spel, doch ditmaal in de eigenlijke beteekenis van het woord, is
dat door Breero (
Koe
, vs. 42) bedoeld, wanneer hij zegt: ‘
Haesop
Taal en Letteren. Jaargang 2
Komentarze do niniejszej Instrukcji