198
onzijdig
pronomen met een
meervoudig
substantief. Toevallig is dit substantief óók
onzijdig;
zoo het manl. of vrouwl. was, kon er even goed
wat
staan: wat helden, wat
heldinnen. Wij gevoelen dit
wat
thans als
bijvoeglijk
= hoedanige. Oorspronkelijk
stond het hier
zelfstandig:
het volgende substant. was altijd de
meervoudige tweede
naamval:
wat (=
wie
) van de mannen, wat (=
welke
) van de wonderen. Het gebruik
van
wat
behoeft ons nu niet langer te bevreemden. Onze taal immers (het
Germaansch in 't algemeen) heeft de neiging om het
zelfstandig
pronomen, wanneer
geslacht
en
getal
duidelijk zijn, in 't
onzijdig
te bezigen:
dit
is mijn
broer
,
dat
zijn
mijne
neven
en
dat
mijne nichten,
wat
is uw broer (= wie); wie is die man?
het
is uw
vader, etc. De genitief is vervallen,
wat
staat daardoor bijvoeglijk, maar het is voor
de drie geslachten niettemin
wat
gebleven.
Wij lichten thans de constructie van 1-2 zoover en op zoodanige wijze toe, als wij
ons dit mogen veroorloven. Voor het recht verstand beginnen wij met:
Ik zag het
paard loopen. Loopen
noemt daarin de gesteldheid, waarin men het paard ziet: het
paard is verder, logisch, het subject van het loopen. Thans stellen wij ons een
slachten voor:
Ik zag het paard slachten:
hier gevoelen wij het paard het object van
het slachten: als zóódanig zien wij het paard; in
slachten
wordt wel niet de toestand
(gesteldheid) van het
dier
genoemd, maar toch aangeduid: Wij hebben eene
slachtpartij voor ons, het paard is daarin en het lijdt. Sommigen ontleden bij déze
beschouwing aldus:
zag
- gezegde,
het paard
- voorwerp,
loopen
en
slachten
-
bepaling van gesteldheid. Een zin als:
Ik zag den veldheer overwinnen
, waarin
veldheer
zoowel het subject als het object van het overwinnen zijn kan, heeft voor
die beide gevallen dan dezelfde ontleding:
den veldheer
- voorw.,
overwinnen
- bep.
v. gesteldh., in het eerste geval weer die gesteldheid
noemende
, in het tweede die
aanduidende
(men ziet de strijdende partijen; het is het oogenblik der beslissing,
der
overwinning
en daarin is het de veldheer, die lijdend is). Zielkundig (en een
grammatica
zonder
zielkunde is als zoodanig d.i. als spraak
kunst
waardeloos) is
dit niet
geheel
in orde, maar men verwerpe het niet zóó maar. Anderen zeggen:
Ik
zag het paard loopen
moet men ter ontleding ontbinden in
Ik zag
,
dat het paard liep:
de ontleding is dan al heel gemakkelijk; maar - men heeft dan ook
niet
ontleed
Ik
zag het paard loopen;
hetzelfde ten opzichte van den anderen zin. Men kan dan
evengoed korter gaan:
Zag
- gezegde,
het paard loopen
- voorwerp,
het paard
slachten
- voorw. Weer anderen doen nóg anders:
zag
- gezegde,
loopen
- voorw.,
slachten
- voorw., zeggen zij, en
paard
wordt dan niet afzonderlijk
Taal en Letteren. Jaargang 2
Komentarze do niniejszej Instrukcji