87
van een woord met eene bepaalde beteekenis invoert, zal dat alleen doen, wanneer
hij het voor eene duidelijke uitdrukking zijner gedachten noodzakelijk of althans
gewenscht rekent.
Nu kan men inderdaad zeggen, dat in de gevallen van groep 1 en 2 het gebruik
van het tegenstellende
of
‘in eene bepaalde behoefte voorzag.’ Men moet daarbij
zijn uitgegaan van volzinnen als:
Er is geen God
,
of hij moet goed zijn. Ga niet
verder
,
of gij krijgt een ongeluk. Ik doe dat nooit weer
,
of ik moet er toe gedwongen
worden
, waarin tusschen den eersten en den tweeden zin ook eene onderstelling
ligt opgesloten:
als er een God is
,
als gij verder gaat
,
als ik het ooit weer doe
. Wel
staan de gevallen niet volkomen gelijk: de volzinnen:
er is geen God
,
ga niet verder
,
ik doe dat nooit weer
, krijgen door de bijvoeging van den tweeden zin geene andere
beteekenis; wanneer het geval, in den tweeden zin uitgedrukt, zich niet voordoet,
drukken zij de werkelijkheid uit, terwijl dit niet geval is met de zinnen:
er is geen
mensch
(1),
ik heb dat nooit gedaan
(2) enz., die op zich zelve beschouwd juist met
de werkelijkheid in strijd zijn. Maar toch geleken zij genoeg op elkander, om het
begrijpelijk te maken, dat men ook bij de laatste aan een alternatief dacht.
Ook de voorbeelden der derde groep konden allicht aanleiding geven tot deze
opvatting. Toch is hier het verschil reeds grooter. Met eene verzwegen
onderstelling komen we, gelijk wij boven zagen, bij deze zinnen niet uit. Nemen
we echter aan, dat men aan eene onuitgedrukte toegeving gedacht heeft, dan
worden deze zinnen duidelijker:
Niemand is zoo wijs
,
of
(
al is iemand zoo wijs
),
hij
kan nog wel iets leeren. Het werk is hier zoo druk niet
,
of
(
al is het werk hier zoo
druk
),
ik kan het met Antje best af
, enz. Men kan dan wel weder de opmerking
maken, dat degenen, die hier het voegwoord
of
in zwang brachten, niet heel scherp
onderscheidden, maar men bedenke, dat de toegeving en de onderstelling hier in
dit voorname punt met elkander overeenkomen, dat zij beide niet een feit, maar een
gedacht geval te kennen geven.
Wanneer het dus waar is, dat we in het verbindingswoord
of
het tegenstellende
voegwoord hebben te zien, dan moeten we tevens aannemen, dat het gebruik van
dit woord bij de drie eerste groepen is begonnen. Deze meening wordt op eene
ongezochte wijze bevestigd door de omstandigheid, dat al de voorbeelden uit de
16
e
eeuw, waarin de tweede zin het woord
en
miste, hetzij hij al of niet door
of
met
den eersten was verbonden, juist tot deze drie groepen behoorden. Het kan toch
wel niet geheel toevallig zijn, dat we voor de overige groepen in denzelfden tijd
Taal en Letteren. Jaargang 2
Komentarze do niniejszej Instrukcji