
343
Waar zou 't heen met onze tegenwoordige taal, wat bleef er van over; ja, van alle
taal, in welke periode ook, als men de analogiën er eens allemaal uitzifte? Gesteld
dat dit kon.
Meer nog. Het is taalkundig juist
1)
. Zonder analogie bestaat geen taal, kan geen
taal bestaan: ik heb daar in 't begin al op gewezen dat analogie schering en inslag
is
2)
. Sterker nog. Analogie is de levende vormkracht in elke taal; alle taalkunde, die
dit negeert, is uit den booze!
30. Tot de woordvorming hoort ook de buiging en de vervoeging.
Ook flectie ontstaat uit het syntactisch verband. Een woord komt permanent mét
andere voor om de een of andere verhouding tusschen de woorden aan te geven,
het wordt als -boel, -baar, -rijk, -lijk, suffix, maar speciaal om zeker verband aan te
wijzen.
Zoo voegen wij nu in syntactisch verband het pron. poss. ‘zijn’, (fonetisch
zən
,
sən
) achter het bepalende woord, om den bezitter
3)
aan te duiden.
Je hebt verteld dat we een koetsier zijn paard hebben gestolen (Brouwer). - op
een beest zijn overleg (Schoolmeester). - Vandaar dat Hein zoo dol van Dirk zijn
poëzie houdt (Helv. van den Bergh). - Loots zijn gedichten (Beets). - ‘Cats zijn
gedichten’
4)
. - Wie zijn hoed is dat? - Die zijn hoed! - Verwijs zijn Bloemlezing. - De
éen zijn dood is d'(den) ander zijn brood.
Ongetwijfeld is dit ontstaan uit zinnen als: geef Piet zijn hoed aan; laat de moeder
haar kind zelf zoogen, dat kwam omdat God zulke menschen hun (het) verstand
benevelde; díe schendt zijn neus, - zí n neús? - neen, - D e zíjn neùs dan?
En toen ging 't er mee als met ‘alles behalve’, ‘hand vol’, enz.
1)
Volgens Jacobs-Koenen (l
e
druk, 1892!) § 566, 4
o
. kunnen ze alleen verdedigd ‘op grond
van de welluidendheid;’ maar zijn ze ‘taalkundig onjuist’ § 619.
2) Blz. 316, 319, enz.
3)
Van deze vorming vind ik in Jacobs-Koenen § 142, 5
o
, de verklaring: ‘de bezitter, wanneer
deze de derde persoon is, (wordt) buiten de volzin genoemd: Jan zijn boek is weg, onze
moeder haar huis is afgebrand’!!
In aanmerking komt zeker bij deze vorming wat van Helten, Vondels Taal II, bl. 151,
veronderstelt.
4) Te eerder moet daar ‘zijn’ gebruikt om de vele
s'es
in den zin. Ook omdat ‘Cats’ al op -
s
eindigt, en om 't rythmus; - ‘monosyllaba en oxytona op -
s
laten geen andere constructie toe;
men zegt wel “Tollens' gedichten”, maar “Cats zijn gedichten”, “de Vríes zijn Woordenboek”;
niet “Cats' gedichten”, dit is taal voor het
oog
, niet voor het
gehoor
; Cats' gedichten zou ook
homoniem wezen met Cat's gedichten, dus onduidelijk,’ (Cosijn).
Taal en Letteren. Jaargang 2
Komentarze do niniejszej Instrukcji