215
leggen en sagh het werck eens over en seyd: o Godt! Hoe is dit schoone Schip
vergaen, gelyck Sodoma en Gomorra.’
Met de hulp van een' jonkman, die onbeschadigd neergekomen en den kop van
den ronddrijvenden steven had gegrepen, wist de aan 't hoofd en den rug zwaar
gewonde Bontekoe mede op dit stuk van het wrak te klimmen. Gelukkig zagen de
beide geredden, eer de zon nog geheel ondergegaan was, de boot en de schuit in
hunne nabijheid; hun roepen werd opgemerkt en weldra waren zij in de boot
opgenomen.
Nu zwierven de schepelingen 13 dagen lang, zonder kaart, kompas of graadboog
op den oceaan rond. De zeilen waren op het schip achtergebleven: om hunne
krachten niet uit te putten met roeien, werden op raad van Bontekoe de hemden
uitgetrokken en tot noodzeilen aaneengenaaid. Voedsel was er bijna niet: 7 of 8
pond brood voor 72 man. Als een geschenk des hemels beschouwden de
ongelukkigen eenige meeuwen, die op de booten neerstreken. En niet minder
dankbaar waren zij voor een zwerm vliegende visschen, zoo groot als spieringen,
die eenige dagen later in de boot vlogen. Toch begon de honger steeds feller te
nijpen. Reeds werd er gemompeld, dat men de jongens zou slachten en daarna het
lot werpen, wie der anderen hunnen makkers tot spijs zouden strekken. Nog drie
dagen - zooveel kreeg B. van hen gedaan - zou men wachten; werd er binnen dien
tijd geen land ontdekt, dan zou het vreeselijk voornemen uitgevoerd worden. ‘Ick
vermaende’, zegt Bontekoe, ‘het volck met soo veel troostelycke reden als ick op
die tydt konde bybrengen, seyde, datse doch goedts moedts souden wesen, dat de
Heer het versien soude, doch was self kleynmoedigh, soude een ander
troosten, en behoefde self wel getroost te worden, sprack
menigh woordt boven 't hert; verdroegen en leden alsoo met malkander,
dat wy soo moe en mat wierden, dat wy qualyck de macht hadden op te staen.’
Daar kwam eindelijk redding. Den 2
en
December, toen de lucht begon op te klaren,
riep de man, die aan het roer stond: ‘Land, land!’ Het bleek een eiland, dicht bij de
kust van Sumatra gelegen. Een paar dagen later gelukte het den schepelingen op
dit eiland zelf te landen en konden zij zich te goed doen aan rijst en hoenders, door
hen van de inboorlingen gekocht. Hoe dezen echter jegens de blanke vreemdelingen
gezind waren, zou hun spoedig blijken. Reeds dadelijk na hunne landing hadden
zij teekenen van vijandige gezindheid bij hen meenen te bespeuren en de volgende
dag bewees maar al te duidelijk, hoe veel grond er was tot beduchtheid. Bontekoe
voer toen met vier der matrozen
Taal en Letteren. Jaargang 2
Komentarze do niniejszej Instrukcji