371
v. 29.
Bylo!
een uitroep van onzekere afkomst. Het eerste lid is zeker wel het
voorzetsel, men zweert nog bij God en alle heiligen. In het tweede heeft men eene
afkorting meenen te zien van
Lodewijk
(den Heiligen) en zelfs van den
oudgermaanschen god
Loke
.
vs. 32.
op 't kussen:
‘in de regeering’;
het kussen
voor: ‘het (bekende) kussen,
waarop de regeeringsleden in hunne vergaderzalen zaten. De verwachting van
neefjen is kenmerkend voor den tijd der familieregeering in ons land.
vs. 34.
een halve gift:
‘eene onvoldoende gift.’
vs. 35.
ramen:
‘berekenen, schatten.’ Men
raamt
de kosten, uitgaven; men
beraamt
plannen, maatregelen, enz.
vs. 36.
van mijn naam
, nl. van mijn' familienaam: een gewichtig argument, om
aan neef alles na te laten.
vs. 38.
de tabbaard geeft de wijsheid
. Een tabbaard was een lang, sluitend
opperkleed voor mannen; het werd door deftige lieden gedragen; thans nog:
mannen
van den tabbaard:
‘rechtgeleerden’; wij zouden zeggen:
toga
. Het spreekwoord
beteekent dus: met het ambtsgewaad komt de wijsheid, noodig, om het ambt waardig
te vervullen, of zoo als men nog wel hoort: met het ambt komt het verstand.
vs. 39-40. Maar er zal heel wat kunst noodig zijn, om mijne dwaasheden te
verbergen. - P. gebruikt, evenals wij tegenwoordig,
aapjen
in plaats van het vroegere
gekjen
, d.i. de zotskolf of marot, die de oude hofnarren in de plooien hunner mouwen
plachten te verbergen. Men vergelijke de volgende regels bij Cats, I, 282 op de
spreuk:
Tast ook den wijzen in de mouw
,
Daar zit een gekjen in de vouw:
Daar is niet één zoo wijze man,
Hoeveel hij weet, of wat hij kan,
Die niet een gekje bij zich voedt,
Of binnen in zijn mouwe broedt.
En zie! dat wil er dikwijls uit, enz.
vs. 43.
uit dien maalstroom:
uit die tegenstrijdige gedachten, voornemens. Wie zich
in een' maalstroom bevindt, wordt in eene telkens veranderende richting bewogen.
Maar het slot is toch, dat de notaris teruggeroepen en neefje universeel erfgenaam
wordt.
vs. 45.
zonder heksen:
‘zonder tooverkunsten’ dus door gewone middelen.
vs. 47-48.
't Burgemeesters boekjen
, hiermede wordt het (natuurlijk denkbeeldige)
boekje bedoeld, waarin de Burgemeesters regelen voor hun gedrag konden vinden.
Men zegt ook:
dat staat niet in mijn boekje; dat komt in mijn boekje niet voor
, om te
kennen te geven: ‘dat strijdt tegen mijne beginselen, denkbeelden, plannen.’ De
laatste regel beteekent: Wie maar in zijne openbare handelingen wijs is, mag zich
in zijn bijzonder leven wel eene dwaasheid veroorloven.
Taal en Letteren. Jaargang 2
Komentarze do niniejszej Instrukcji