12
Optimisme der jeugd en op elke bladzijde schier het schalksche oog van den auteur
en de vriendelijke mond met den snaakschen trek ons verwelkomen.
Mocht deze of gene ons tegenwerpen, dat niet de stempel van Van Lenneps
individualiteit alleen onzen roman zijn bekoring verleent, - wij-zelve noemden reeds
de kunst, die Graaf Willem in 't leven heeft geroepen, en hebben haar op hoogen
prijs gesteld. En deze waardeering is inderdaad gemakkelijk te verantwoorden.
Meesterlijk is de opvatting van den Graaf in het eerste deel in het laatste
volgehouden. Hier is eenheid, gelijk ook de rol die de Bisschop in Utrecht speelt, in
Friesland verrassend tot haar recht komt. Heeft onze moderne twijfelzucht het
voorloopig moeten opgeven tegen het geloof in een bovennatuurlijke macht, onder
de schildering van den storm en den slag reikt die twijfel ridderlijk den degen over
en stemt toe dat zijn tegenstander iets meer is dan een boeman om kinderen naar
bed te jagen. Wat is het plan, dat de kunst slechts had ten uitvoer te leggen, om
zich zulk een overwinning te verzekeren? Zij heeft ons onder den indruk willen
brengen dat, wat naar de berekening der gloriezucht een onderneming tegen
menschen scheen, waarbij de wisselvalligheid van het krijgsgeluk slechts duurzamer
eer beloofde, werkelijk de gang was van den ijzeren noodlotswil. Dit is haar gelukt.
Wij zien den tocht tegen de Friezen in een geweldigen strijd tusschen Natuur en
mensch verkeeren. Als de hagel op de daken van Aylva-Stius klettert en
onophoudelijke bliksem en donder verkondigen, dat de storm zijn geweld verdubbelen
wil en Aylva zijn vreugde uit met de woorden: ‘Een heerlijk weer; zie, de hemel strijdt
met ons!’, dan ligt er in die vreugde iets ontzettends voor den lezer, dat het
ingesluimerd voorgevoel wakker schudt. Straks voert de verbeelding ons naar de
grafelijke vloot en haar prachtigen aanblik. ‘Ach, weinig dachten zij, die moedige
ridders en baanrotsen, dat de blijde disch waarom zij zich onder luide gezangen en
schaterende toejuichingen verzamelden, hun doodmaal droeg.’ Maar Willem kwelt
een geheime zorg. Te midden van de tooneelen der onbezorgdheid heeft de auteur
daar met meesterlijken greep dien drinkbeker met zijn onheilspellende vermaning,
een hoorn des onheils, geplaatst. De voorspelling is een element van zijn innerlijk
leven geworden. Uitmuntend geteekend is die zelfbeheersching in haar te kort
schietend verzet tegen zenuwachtige gejaagdheid. Het fiere zelfvertrouwen is
ondermijnd. Nog is de storm niet opgedaagd en reeds is in Willem het duister besef
ontwaakt, dat de hemel-zelve den strijd tegen hem gaat aanbinden. Er is een macht
boven hem, den meester van alle soldaten. Geen menschelijke
Taal en Letteren. Jaargang 2
Komentarze do niniejszej Instrukcji