289
andert aan de met haar eenigszins in tegenspraak zijnde koppeling in den zin. Was
de pas behandelde betrekking
voorwaardelijk
, deze is
toegevend
. Voorbeelden
dezer betrekking zijn:
Arm en verlaten trachtte de oude vrouw toch te berusten in
haar lot. Jong
,
jolig als deze is
,
stoot hij stil aan
,
ziet hij voor zich als de overigen
.
(Potgieter.)
Opjevoed in den dampkring van het keizerlijke hof
,
gevoelde hij toch
menschelijk genoeg
,
om deernis te hebben met verdrukten
. (ibid.)
Zeer opmerkelijk is een verschijnsel, dat zich voordoet bij de praedicatieve
bepalingen, die in een der twee laatst behandelde betrekkingen tot het gezegde
staan. Hebben we nl. bij de behandeling der tijdbepalende en redengevende
betrekking gezien, dat er geen woord bij gebruikt kan worden om die betrekking
aan te duiden, bij de voorwaardelijke en toegevende betrekking komt zulk een woord
soms wel voor. We zien nl. zulk eene praedicatieve bepaling dikwijls voorafgaan
door een voorwaardelijk, nog veelvuldiger door een toegevend voegwoord. Zonder
voegwoord kan men de praedicatieve bepaling ook in dezelfde betrekking gebruiken;
het voegwoord legt op die betrekking meer nadruk en verhoogt dus de kracht der
uitdrukking. Daardoor zal men het bij de voorwaardelijke betrekking alleen dan zien,
als de voorwaarde zeer uitdrukkelijk moet worden gesteld; vandaar dat we in zulke
gevallen niet
indien
, maar wel het veel sterkere
mits
zullen aantreffen.
Ge kunt
,
mits onafgebroken voortwerkende
,
uw werk nog wel afkrijgen
. Vinden
we soms een ander, minder krachtig, voorwaardelijk voegwoord, dan kan door
toevoeging van een bijwoord de kracht verhoogd worden, zoodat het gebruikte
voegwoord met dat bijwoord de voorwaarde even nadrukkelijk stelt als
mits
; b.v.
Koning! neem uw staf in handen
,
naar 't op nieuw bezworen recht
,
Dat weldadig
nog zal wezen
,
zoo slechts biddend neêrgelegd Op den grondslag der Geschiedenis
,
op 't beginsel van Gods Woord
. (Da Costa) Hier geeft
slechts
aan
zoo
de kracht
van
mits
.
Bij de andere betrekking vinden we de gewone toegevende voegwoorden
ofschoon
en
hoewel. Twee vorstinnen Gedoogt de tentgordijn van Mamre niet
,
noch binnen
Haar plooien deze twee
,
schoon spruiten van één stam
. (Da Costa.)
Ook hij
,
schoon
starend op een hooger verge zicht
,
Gaat voor het volksheil uit naar beetring
. (ibid.)
Hoewel telkenmale in zijne verwachtingen teleurgesteld
,
gaf hij de hoop nog niet
op
. - Misschien rijst hier de vraag: moeten ze nu met dat voegwoord niet tot de
bijwoordelijke bijzinnen gerekend worden? Het antwoord op die vraag kan, van ons
standpunt uit, niet anders dan ontkennend luiden. De hoofdwoorden
voortwerkende
,
neergelegd
,
spruiten
,
starend
en
teleurgesteld
zijn òf deelwoorden, die eene voltooide
of onvoltooide werking voorstellen als tijdelijke eigenschap bij de onderwerpen uit
den zin, òf eene appositie bij een zinsdeel; het zijn dus alle naamwoordelijke
praedicaten bij het onderwerp of eenig ander zinsdeel en dus geen bijwoordelijke
bepalingen bij het gezegde. Alleen de wijze van voorstellen beschouwende, zonder
te vervangen, kunnen we ze dus niet anders noemen dan praedicatieve bepalingen.
- Het gebruik
Taal en Letteren. Jaargang 2
Komentarze do niniejszej Instrukcji