40
m. en v.uilv. en o.spitsm. en v.neb
v. en o.vensterm. en o.stofm. en v.neus
m. en v.vlekm.v. en o.stoofm. en v.nood
m. en v.vlijtm.v. en o.strandm. en v.olie
m. en v.vorst (v.
vriezen)
m. en v.stuto. en v.pik
m. en v.vredem. en v.talkm.v. en o.punt
m. en v.waanm. en v.tandm. en v.put
m. en v.woekerm. en v.tijdm. en v.raaf
m. en v.wortelm. en v.turfm. en v.roef
m. en o.zeemm. en v.tornm. en v.schacht
m. en v.zolderm. en o.trogm. en o.schuim
v. en o.sop
Duidelijker nog dan ten Kate teekende Balthazar Huydecoper verzet aan tegen de
wijze van van Hoogstraten's geslachtsbepaling. In de
Proeve van Taal- en Dichtkunde
(eerste druk 1730, tweede 1782-1791) lezen wij: ‘Laat ons dit tot een algemeenen
regel stellen: niet te zeggen, dat en dit is goed, want Vondel is ons zo voorgegaan:
maar Vondel zelven te toetsen aan de Ouden, zijne Schriften met bescheidenheid
te leezen, en te denken dat Vondel begon te schrijven in een duisteren tyd, dat hy
de taal wel uit die duisterheid in een helder licht gesteld hebbe; maar dat het hem,
een mensch zynde, onmogelyk geweest zy, zich, in zijnen ouderdom geheel te
ontdoen van alle vlekken en misstallen, die hem, nevens anderen, in zyne jeugd
ingeprent waaren.’
1)
En verder: ‘Daarenboven oordeel ik, dat een bewijs omtrent de
Geslachten, genomen uit de gedichten, voornaamelijk minnedichten, van Hooft,
van geen gezag ter werreld is, dewijl hy zich daarin honderdmaalen vergeet, gelijk
den geenen bekend is, die dit stuk verstaan.’
2)
Als curiositeit vermeld ik hier een geschriftje, dat in 1765 te 's-Gravenhage
verscheen onder een zeer verlokkenden titel: ‘
Het Eenigste
,
En tot nu toe onbekend
Middel
,
om Aanstonts
,
en voor Altoos
,
uit den weg te ruimen de Zwaarigheden die
zig opdoen
,
noopende de Geslagten van sommige zelfstandige Woorden
, ....
aangewezen
.’ De ongenoemde Schrijver zegt o.a.: ‘Het ware te wenschen dat een
zaak altoos haar Geslagt aanwees. Maar van honderd zelfstandige Woorden, zijn
'er naauwlijks twee daar men dit van te hoopen heeft. Wat dan gedaan? De eenigste
toevlugt, in diergelijke gevallen, is het Gebruik. Doch als 't Gebruik het met zig zelve
niet eens is, ik meen, als de beste Schryvers in verschil zyn noopende het Geslagt
van een zelfstandig Woord, blyft 'er geen hulpmiddel meer over.’
3)
Zich naar Vondel
te richten, keurt de schrijver af; op dichters is geen staat te maken. ‘B.v. het Woord
Oever
is, by
Vondel
, Mannelijk, Vrouwelijk, en Onzydig, zo als 't in zijne kraam te
pas komt.’
4)
Nog eens dus: wat dan gedaan? Thans openbaart de auteur zijn kostbaar
geheim: men onderwerpe zich aan 't gezag van
1)
Proeve
, 2
e
druk, I. 154.
2) t.a.p. 207.
3) Blz. 14.
4) t.a.p. 15.
Taal en Letteren. Jaargang 2
Komentarze do niniejszej Instrukcji