154
geslacht? Welke liefde en bewondering kan het koesteren voor hem, die geen
ergeren vijand kende dan den tijdgeest, waarmede het is doorzult?
Zij, die zoo spreken, hebben echter slechts ten deele gelijk. Wanneer men zegt,
dat Da Costa met zijne steile orthodoxie door een vrijzinniger nageslacht niet meer
kan gewaardeerd worden, overdrijft men of maakt zichzelven lichtzinnig iets wijs.
O zeker, de alledaagsche lezer zoekt in het kunstwerk van eenen dichter zichzelf
terug en is teleurgesteld, zoo hij iemand anders vindt, want dien verstaat hij niet.
Doch bij eene hoogere mate van ontwikkeling leert hij spoedig, dat iets afwijkends,
iets ongewoons, niet noodwendig iets ongerijmds behoeft te wezen. Hij leert zich
te verdiepen in anderer gemoedsleven en erkent weldra, dat alleen kortzichtige
bekrompenheid versmaadt en smaalt, wat zij niet ziet en niet begrijpt. Ook hij zal
menigmaal niet begrijpen, ongetwijfeld, maar in plaats van voorbarig te veroordeelen
bedenken, dat mogelijk eigen begrip te kort schiet en hij het standpunt nog niet
bereikt heeft, van waar hij deze afwijkende verschijnselen kan overzien en
doorgronden. Maar dan ook, welk een verheven genot, de vizioenen van een grooten
geest eveneens te aanschouwen, te worden meegesleept door zijne vervoering, te
ontgloeien door zijne liefde en zijnen haat!
Laat ons dus bovenal bescheiden zijn tegenover kunstwerken, die niet onmiddellijk
tot ons spreken. Liefhebben, beweerde Schleiermacher indertijd, moet men
langzamerhand door oefening leeren. Dat geldt van boeken zoo goed als van
menschen. In de jaren der rijpheid glimlachen we menigmaal over onze blinde
ingenomenheid met dàt meisje, dàt vers, dàt romannetje - in de dagen van weleer.
En nu het derde couplet van ons vers. Zou het wezenlijk waar zijn, dat een
vrijzinniger publiek daarbij onbewogen blijft, dat zijne nuchtere stemming ook niet
éénen toon verhoogd wordt? Neem de proef, vrijzinnige, doch geenszins lichtzinnige
lezer; ban alle dom vooroordeel uit uw hart en spreek dan het gedicht met den
heiligen ernst, waarmee de dichter het zou gesproken hebben, - tien tegen een, dat
gij iets voelt van de rustige kalmte, de vertrouwende overgave, waarmee een
schreiend kind het zware hoofdje neervlijt tegen de borst zijns vaders. Maar, zoo ik
deze weddingschap win, vergun mij dan ook, u op de oorzaken te wijzen. Ten eerste
deze. Onder de velen, die luide of stil op hooger verlichting stoffen, zijn er weinigen,
die in staat zijn overtuiging tegen overtuiging te stellen; tegenover het geloof van
Da Costa, dat het zóó is, staat hunne meening, dat het niet zoo is. Hun geloof is
enkel negatief. Hun godsdienstig gevoel is als een veld, dat braak ligt: niets groeit
er op, doch het wacht slechts op eene gunstige gelegenheid, om zaad - van welke
plant ook - te laten opschieten. Bedenk nu verder, dat de kiemen van een geloof,
gelijk bij de mannen van het réveil in vollen bloei stond, in het gemoed van vele,
zoo niet van alle menschen ligt. Zoo oud wordt geen man, dat hij zich nooit meer
kind gevoelt, niet gaarne kind gevoelen wou; zoo gelukkig geen mensch, of in
sombere dagen zou hij willen,
Taal en Letteren. Jaargang 2
Komentarze do niniejszej Instrukcji