79
hulpmiddelen bezat, om de syntactische verhouding tusschen de deelen van een'
samengestelden zin nauwkeurig aan te duiden. Bovendien, gaan wij de wijze na,
waarop wij hierboven het laatste deel door een' bijzin hebben vervangen, dan blijkt
ons, dat ook thans de verbindingswoorden van uiterst eenvoudigen aard zijn. Bij de
meeste groepen bedienden wij ons van het voegwoord
dat
, een woord, dat volstrekt
geene bepaalde betrekking aanduidt en alleen dient, om het onderschikkend
zinsverband tusschen twee zinnen te kennen te geven. Niet veel anders is het
gesteld met het voegwoord
terwijl
, dat wij in twee gevallen gebruikten, en dat ook
eerst het bijeenbehooren in tijd, daarna enkel het bijeenbehooren van twee feiten
uitdrukt. En toen wij in de voorbeelden van groep 1 het persoonlijk door het
betrekkelijk vnw. vervingen, deden we niets anders, dan een woord gebruiken,
waarin behalve de aanduiding eener zelfstandigheid het eenvoudige begrip der
verbinding van twee zinnen ligt opgesloten.
Op twee zaken maken wij den lezer nog opmerkzaam: in het vervolg zal blijken,
dat zij niet zonder belang zijn voor de beantwoording der vragen, die wij gesteld
hebben. Vooreerst, dat in geen der bovenstaande voorbeelden de tweede zin een
ander ontkennend woord dan
ne
(
en
) bevat. In den eersten is dit ook wel niet altijd
het geval, maar toch gaat de ontkenning hier meermalen vergezeld van woorden
als
no
,
negeen
, (
engeen
,
geen
),
noyt
,
nieuwer
,
niet
. En in de tweede plaats, dat de
gedachte, in den samengestelden volzin opgesloten, steeds bevestigend is;
de ontkenning in den tweeden zin heft die in den eersten op. De volzinnen, als één
geheel beschouwd, dienen, om mede te deelen:
dat allen naar de vensters liepen
,
dat wij allen leed deden
,
dat ook de armste onder de dienaren zich verbeeldde
,
dat
hij zoo rijk was
, enz. enz.
Voordat wij nu gaan zien, wat er in de jongere taal van deze samengestelde volzinnen
geworden is, merken wij nog op, dat zij ook reeds in het mnl. soms afwisselen met
andere, waarvan het tweede lid de ontkenning
en
mist, terwijl de beide deelen door
het onderschikkende voegwoord
dat
zijn verbonden. Zoo lezen wij:
Jacop was cume uitgheghaen, dat Esau sine spise brochte,
Rijmb
. 2383. Onverre
so was hare vaert, dat si ontmoeten die knechte,
Lorr
. I, 997. Hine hadde dit niet
gesproken al, dat die duvel maecte gescal,
Sp.
3
3
, 37:64.
Men zal opmerken, dat deze volzinnen overeenkomen met die van groep 4, waarbij
wij tegenwoordig ook wel den tweeden zin zonder ontkenning aantreffen, terwijl dan
het verband wordt uitgedrukt door het voegwoord
toen
. Klaarblijkelijk dient in dit
geval het woord
dat
, om
Taal en Letteren. Jaargang 2
Komentarze do niniejszej Instrukcji