Engel IB144 Instrukcja Użytkownika Strona 190

  • Pobierz
  • Dodaj do moich podręczników
  • Drukuj
  • Strona
    / 440
  • Spis treści
  • BOOKMARKI
  • Oceniono. / 5. Na podstawie oceny klientów
Przeglądanie stron 189
142
Dit is beproefd door L.A. te Winkel (
Taalgids
VIII, 66 vgg.),
1)
die de acht tijden in vier
tegenwoordige en vier verledene verdeelde. Bij de tegenwoordige tijden gaat men
uit van het oogenblik waarop men zich bevindt; bij de verledene verplaatst men zich
in gedachten eerst op een tijdstip in het verledene. Of, zooals te Winkel het zelf
uitdrukt: ‘Bij het denken gaat men van twee tijdpunten uit: òf van het
tegenwoordige
,
òf van het
verledene
. In het eerste geval beschouwt men alles, zooals het zich laat
aanzien op het oogenblik dat men denkt; in het andere, zooals het zich liet aanzien
op het tijdstip, waarin men zich met zijne gedachten terugverplaatst.’
Wij willen vragen: is die indeeling juist? Gaat men bij het denken werkelijk alléén
uit van het tegenwoordige en verledene? Dus nooit van een of ander tijdstip in het
toekomstige?
Het wil er bij ons niet in. Wanneer wij zeggen: ‘Wacht maar tot morgen, vriendje!
Dan
zal ik
je wel
vinden!
’, dan hebben we ons in gedachten ontegenzeglijk naar de
toekomst verplaatst.
Het is jammer, dat te Winkel die uitspraak, waarop zijn geheele systeem berust,
niet nader heeft toegelicht. Misschien is door hem gedacht aan de veel reëeler
verhouding, waarin de mensch staat tot het heden en verleden dan tot het
toekomstige; misschien aan het feit, dat de
vorm
van den verleden tijd getuigt van
een grooter zelfstandigheid dan die van den toekomenden - maar wat daarvan moge
zijn, niet te loochenen is het, dat althans de beschaafde mensch zich bij zijn denken
niet alleen in het verledene, maar ook in het toekomstige verplaatst. Zinnen als:
gisteren was ik bij hem - morgen zal ik komen
, moeten dat voor een ieder duidelijk
doen zijn. Ten overvloede citeer ik een paar regels uit H. Paul's
Principien der
Sprachgeschichte
:
‘Die kategorie des tempus beruht auf dem zeitlichen verhältniss, in dem ein
vorgang zu einem bestimmten zeitpunkt (het uitgangspunt der gedachte) steht. Als
solcher kann zunächst der augenblick genommen werden, in dem sich der
sprechende befindet und so entsteht der unterschied zwischen vergangenheit,
gegenwart und zukunft, welchem die grammatischen kategorieen perfectum, präsens,
futurum entsprechen’
2)
.
1)
Volgens L.A. te Winkel is een handeling 1
o
. òf
tegenwoordig
òf
verleden;
2
o
. òf
gelijktijdig
òf
toekomstig;
3
o
. òf een
doen
(aan den gang) òf een
daad
(afgeloopen). Zoo komt hij tot 2 × 2
× 2 = 8 tijden:
Verleden
.
Tegenwoordig
.
hij sprak.
Gelijkt. doen:
hij spreekt.
hij had gesproken.
Gelijkt. daad:
hij heeft gesproken.
hij zou spreken.
Toekomst. doen:
hij zal spreken.
hij zou gesproken hebben.
Toekomst. daad:
hij zal gesproken
hebben.
2)
2
e
Aufl., S. 227.
Taal en Letteren. Jaargang 2
Przeglądanie stron 189
1 2 ... 185 186 187 188 189 190 191 192 193 194 195 ... 439 440

Komentarze do niniejszej Instrukcji

Brak uwag