190
aan de verscheidenheid der werkwoorden
boeten
(herstellen) en
boeten
(vuur
aanleggen), die Verwijs
Taal- en Letterbode
I, bl. 24-34 trachtte te betoogen. Het
is daarom misschien niet ongepast, hier even te wijzen op de onjuistheid van Verwijs'
redeneering. Hij veronderstelt, dat herstellen bij ons
boeten
(met
oe
uit
ô
) en vuur
aanleggen
buiten
(met
ui
uit
eu
) had moeten luiden. Toch heeft het Ags. voor beide
woorden
bêtan
(d.i. umlaut van
bôtjan
), terwijl
beutjan
daar
bŷtan
(voor
beôtjan
) zou
hebben moeten zijn. Ook in 't Zweedsch luiden ze beide
böta
, dat alleen
boeten
met umlaut kan zijn. Aan het Mhd.
büezzen
(d.i.
bôtjan
) beantwoordt het Nhd.
büssen
, maar daar staat natuurlijk niet tegenover het Nhd.
beuten
(vuur aansteken),
dat, blijkens de
t
, uit een Nederduitsch dialect is overgenomen. Het Mhd.
biuzen
beteekent ‘stooten, slaan’ en heeft dus met ons woord niets te maken. Ook het
Groningsch bevestigt veeleer de verwantschap der beide woorden, dan dat het op
eene verscheidenheid zou wijzen, want een *
beutjan
zou daar
buten
en
bôtjan
, zou
daar
buiten
luiden. Wat vinden wij er nu?
Buiten
(vuur aanleggen) en
bouten
(herstellen) en dus hetzelfde woord, maar in het eerste geval met umlaut (
ui
is de
umlaut der Groningsche
ou
= germ.
ô
) en in het tweede zonder umlaut. Het Drentsche
beuten
(aansteken) is de umlautsvorm van
boeten
(vgl.
boek
en
beuk
). Het
Overijselsch, dat ik niet kan controleeren, laat ik buiten beschouwing, maar in elk
geval blijkt, dat de talen, die Verwijs voor den verschillenden oorsprong der
werkwoorden aanhaalde, er even sterk tegen pleiten als ons Ned.
boeten
.
Bij reg. 245
opgeheemelt
, kan ik Dr. Stoett niet toestemmen, dat
hemelen
een
frequentatief van *
heimen
en afleiding van
heim
zou wezen, ook al kan hij zich
daarvoor beroepen op het gezag van Dr. Verdam en op den vorm
heimelen
, die
eene enkele maal in het Mnl. voorkomt, maar dien ik op ééne lijn met
veinster
,
deinzen
,
peinzen
, enz. plaats. Mijn bezwaar tegen deze afleiding berust 1
o
. op de
beteekenis
wegstoppen
(zelfs
begraven
in het Mnl. en bij Hooft zelf, die,
Tacitus
bl.
528
compositus
met
opgeheemelt
vertaalt; vgl. nog het Mnl.
te hemele voeren
=
begraven), daarna
wegruimen
,
opredderen
,
schoonmaken
,
in orde brengen
, en 2
o
.
vooral ook op den klank van den Mnl. bijvorm
hemmelen
, van het Friesche
himmel
(= schoon, zindelijk),
himmelje
,
huushimmelje
(= schoonmaken) en van het
Groningsche
hemmeln
(= schoonmaken), ook
ophemmeln
(= opruimen, aan kant
maken). Voor zoo ongewone verkorting als van den tweeklank
ei
tot ĕ of ĭ in die
streken, waar
heim
en
heem
bekend en onverkort bleven, kan ik geene reden vinden,
terwijl er tegen het aannemen van verwantschap met ons woord
hemel
(coelum)
m.i. niet het geringste bezwaar bestaat.
Bij reg. 279 wordt van
aakelyk
, met verwijzing naar het groote
Wdb.
gezegd, dat
het van
akelig
door suffix verschilt, alsof het dus voor
akellijk
stond. Ik houd het voor
een Frieschen vorm van
akelig
met verscherping aan het woordeneind van de
gutturale media
g
.
Bij reg. 452
wrook
, wordt gezegd, dat de
o
uit het meervoud in het
Taal en Letteren. Jaargang 2
Komentarze do niniejszej Instrukcji