273
gezeur
hier op als ‘getalm’: Govert heeft er schik in, Klaertjen te plagen door heel
langzaam Elze's schaatsen aan te binden. Ofschoon deze beteekenis van
zeuren
minder gewoon is, kan zij toch afgeleid worden uit de uitdrukking:
zeurig praten:
‘op
langzamen, slependen toon praten’. En zoo hoort men ook:
't gaat alles bij hem zoo
zeurig
en:
dat zeurde zoo wat heen
. Wilde men
gezeur
opvatten in den zin van
‘gezanik’, dan zou het adj.
schalk
daar slecht bij passen.
vs. 41-43.
Eerst reed zij;
toen ging het dus snel - in 't vorige couplet heette het
rennen
-; daarna
gleed
zij; toen hield zij dus haar' gang wat in; straks wordt deze
nog langzamer, want onwillekeurig begint zij te peinzen over hare taak. Zij heeft
begrepen, dat Govert opzettelijk zoo langzaam is, om haar te tergen. Toch wil zij
zich niet ergeren aan het geminnekoos. Voor mijn part, denkt ze, mag hij Elze
kussen, mits de menschen het niet zien. De trouwe wachteres heeft al meer dan
genoeg van de haar gedane opdracht: zij voelt wel, dat zij daar eigenlijk niet geschikt
voor is.
vs. 51-53.
Mijn schatje
. De dichter wendt zich in deze drie regels tot Klaertjen,
om haar plagend te verwijten, dat het overleg, om het paartje door haar voorbeeld
op de woelige baan te lokken, niet verstandig is geweest, want nu is het verdwenen.
In de volgende regels gaat dan de vertelling voort.
vs. 59.
half spijt en half vrees
. De ineengedrongen wijze van uitdrukking, bij de
gekozen maat noodzakelijk, maakt de constructie soms minder duidelijk. Hier: ‘terwijl
zij half spijt, half vrees was’. Dit lijkt eerst vreemd, doch is eigenlijk niet anders dan
eene metonymia: de toestand voor dengene, die in den toestand verkeert, evenals
bijv. in:
hij was een en al
,
geheel woede
,
verontwaardiging
, enz.
vs. 61, 62, 70.
Toch staarde
(hij)
haar aan; toch waarde
(hij)
om haar heen. Waren
is ‘zweven’; gewoonlijk wordt het gezegd van geesten of van zaken, die als zoodanig
worden voorgesteld:
een engel waart om de legerstede; de pest
,
het gebrek waarde
rond in de stad. Bedrukte Rachel staak dat waren
, zegt Vondel tot de schim van
Jozefs moeder, die in de velden van Betlehem rondzweeft, zwerft, doolt.
Hij liet zijne
blikken over 't landschap rondwaren
. Hier is 't wel geen schim, maar ook de
schaatsenrijder
zweeft
over de ijsbaan.
vs. 63. Achter
waarde
en achter
zij
zouden wij eene komma plaatsen. De regel
is een beknopte bijzin van omstandigheid: ‘terwijl hij haar getrouw op zij was, bleef’.
vs. 76.
dat is al een:
‘dat is alles hetzelfde’, nl. hoe je heet.
vs. 77.
zoetjen:
een adjectief wordt substantief door 't achtervoegsel
je: liefje
,
blondje
,
zwartje
,
grauwtje
, enz.
vs. 80.
een flikkertjen slaan
, eig. ‘een dansje doen’, hier: ‘een ritje op
Taal en Letteren. Jaargang 2
Komentarze do niniejszej Instrukcji