19
superlatief, ook dien van het attributieve adjectief, van een lidwoord te doen
voorafgaan, de opmerking geheel en al misplaatst zijn, dat daar, waar geenerlei
onderscheid in geslacht te pas komt, n.l. bij het praedicatieve adjectief en bij het
bijwoord, het onzijdige lidwoord beter gebruikt kan worden dan het mannelijke of
het vrouwelijke?
Wat de vormen
ten hoogste
en
op zijn hoogst
betreft, die zijn m.i. van geheel
anderen aard. Hierin hebben we een zelfstandig gebruikt attributief bijvoeglijk
naamwoord, dat met een voorzetsel eigenlijk eene plaatsbepaling vormt. We kunnen
dus in den zin
hier is de rivier het diepst
, het naamw. deel van 't gezegde moeielijk
verklaren door vergelijking met
op haar diepst
, aangezien we dan eene geheel
andere soort van zin verkrijgen, en wel een zin met een werkwoordelijk gezegde.
Van de wijze van verklaring van dat onzijdige lidwoord hangt dus af, of men den
vorm oorspronkelijk bijwoordelijk noemen zal of niet; bij de behandeling van den
superlatief van het bijvoeglijk naamwoord acht ik het beter, zonder op den oorsprong
te letten, de vormen aan te duiden met de termen
attributief
en
praedicatief
.
Hoe staat het nu echter met het gebruik? Wanneer bezigt men den attributieven,
wanneer den praedicatieven superlatief? Daartoe kunnen we het gebruik van den
attributieven en den praedicatieven positief als voorbeeld nemen. Waar het bijvoeglijk
naamwoord als attributieve bepaling staat bij een uitgedrukt substantief, is natuurlijk
geene vergissing mogelijk; men zegt dan met attributieve, dus verbuigbare vormen:
Wij hebben eene ruime woning; gij hebt eene ruimere woning; mijn buurman heeft
de ruimste woning
. Dat blijft zoo, indien de te bepalen zelfstandigheid zóó voldoende
bij den hoorder bekend kan worden verondersteld, dat het substantief niet eens
wordt uitgedrukt; we hebben dan:
Van woningen gesproken: wij hebben eene ruime
,
gij hebt eene ruimere
,
mijn buurman heeft de ruimste
. Deze gevallen zijn duidelijk
genoeg; eene verklaring van het onderscheid in gebruik is alleen noodig, waar we
te maken hebben met een naamwoordelijk gezegde. Het geval kan zich toch dikwijls
voordoen, dat men zoowel het bijvoeglijk naamwoord als naamwoordelijk gezegde
kan bezigen, in welk geval het praedicatief is, als een niet uitgedrukt substantief
dien dienst laten verrichten, waarbij dan het adjectief als attributieve bepaling staat.
Zoo kan men, weder de drie torens ten opzichte der hoedanigheid
hoog
met
elkander vergelijkende, in plaats van de boven gebruikte voorbeelden ook zeggen:
De toren van Rotterdam is een hooge; die van Utrecht is een hoogere; de Eifeltoren
is de hoogste
. Zonder eenig verschil in beteekenis kan men zich bij deze vergelijking
dus bedienen zoowel van den
Taal en Letteren. Jaargang 2
Komentarze do niniejszej Instrukcji