258
dichters gebruikt, omdat ze niet alledaagsch zijn.
Pluiken
, een bijvorm van
plukken
,
die ook meermalen bij Vondel voorkomt, bijv.
Lucifer
, vs. 2150:
Gedoogh niet datze
pluicken d'onsterfelijcke vrucht
. Niet te verwarren met het vroeger st. ww.
pluiken:
‘plooien, sluiten’, dat o.a. voorkomt bij Bilderdijk:
de ontploken vlerk
,
met wieken blij
ontploken
,
de krijgsbanier ontploken
. Ook de romantici van eene halve eeuw geleden
gebruikten gaarne dit woord.
vs. 215.
de oogen uit joks luiken:
‘ze voor de grap sluiten’, zich houden, als of
men slaapt;
uit joks
met de adverb.
s
evenals vroeger
ter sluiks
. Men vergelijke de
beteekenissen van
scherts
,
jok
,
luim
en
boert
.
vs. 218.
een wolk van levenslust
. Gezonde, dikke, stevige kinderen en menschen
worden wel bij eene wolk vergeleken:
een kind als eene wolk
,
een kerel als eene
wolk
(Van Dale). Misschien wegens de zachte, ronde, mollige omtrekken, in
tegenoverstelling van de schrale, hoekige der magere? P. spreekt ook in
Jan
,
Jannetje en hun jongste kind
van eene
wolk van schepen
, om daarmede eene dichte
menigte aan te duiden. Noemt men nu bij overdracht een kind-zelf eene
wolk
, dan
kan men er, als bepaling, het kenmerk, dat het meest in 't oog springt, achter voegen:
eene wolk van
levenslust
,
gezondheid
.
vs. 223.
dat gaat te hoof
, regel uit een oud kinderliedje; zoo rijden de
Amsterdamsche kinderen op de knie
naar den Overtoom. hoof
voor
hove
, dat. van
hof
.
vs. 225.
klepper
, eene benaming van het ros, vooral in den tijd der Romantiek
veelvuldig gebruikt, en ontleend aan het klappen, klepperen der hoeven.
vs. 226.
wijl:
‘terwijl’.
vs. 227.
luwt
(
e
)
van blaêren;
metonymia voor ‘luwe bladeren’.
vs. 228.
gierend:
‘kraaiend, gillend’.
vs. 230.
invaren:
‘invliegen, insnellen’.
Varen
in de oude bet. van ‘gaan’ met het
bijbegrip ‘snel’; vgl.
vaart: Hij kwam met eene vaart op mij af. Eene huivering voer
mij door de leden
. Over de vorming en regeering van zulke werkw. met voorzetsels
zie men
T. en L.
I, p.
vs. 231.
't Is geen kind
,
die
, enz.: ‘'t Mag wel een man wezen, die, enz.’
die
en
niet
dat
, daar de zin eigenlijk is:
Die R. in den donker vindt
,
is geen kind
. Hier stemt
dus het voornw. noch met het onderwerp, noch met het naamw. deel van 't gezegde
overeen.
in den donker
, dat. onz. enk. van
het donker
.
vs. 234.
de scheem'ring
, meton. voor ‘de boschjes, die in schemering gehuld
waren’. Voor den naamv. vgl.
de boschjens invaren
. Tegenwoordig doet men best,
dergelijke plaatsbepalingen te beschouwen als accusatieven, wèlken naamv. ze
vroeger ook mogen gehad hebben. Zie ook de aant. op vs. 133.
vs. 237.
die wilde weelde; weelde
in den zin van ‘genot, vermaak’,
wild
,
Taal en Letteren. Jaargang 2
Komentarze do niniejszej Instrukcji