85
Wij hebben dus na te gaan, of er ook nog andere gegevens zijn, die ons nader bij
de oplossing van het vraagstuk kunnen brengen. Daartoe vestigen wij allereerst de
aandacht op de omstandigheid, dat men bij de opvatting van
of = indien
, gelijk
Bilderdijk opmerkte, noodzakelijk in het tweede lid het bijwoord
niet
moet invullen.
Is dus het voegwoord
of
het voorwaardelijk voegwoord, dan moet men in den tijd,
toen men dit woord tusschen de beide deelen van den volzin begon te gebruiken,
het laatste deel als een' ontkennenden zin hebben beschouwd.
Nu hebben wij echter èn in het oudere mnl. èn in de jongere taal verschillende
voorbeelden leeren kennen, waarin het voegwoord nog ontbrak en toch reeds het
ontkennende
en
gemist werd.
1)
Deze voorbeelden geven ons het recht tot de
conclusie, dat men in de bedoelde gevallen althans geene behoefte meer gevoelde
aan die ontkenning, dat men dus den tweeden zin niet meer, gelijk vroeger, als een'
ontkennenden, maar als een' bevestigenden zin beschouwde. Deze conclusie is in
overeenstemming met het boven reeds opgemerkte feit, dat men in het tweede lid
nooit een ander ontkenningswoord dan
en
aantreft. Indien men toch dat tweede lid
steeds als een' ontkennenden zin was blijven opvatten, dan zon men reeds in het
oudere mnl. en zeker in de 16
e
eeuw de behoefte hebben gevoeld, om de ontkenning
en
te versterken door
niet
, gelijk men dat bij werkelijk ontkennende zinnen deed.
Terwijl men toch in de oudere taal volstaan kon met te zeggen:
Ik en hoore
, begon
men daarvoor later algemeen te bezigen:
ik en hoore niet
, letterlijk:
ik niet hoor geen
ding
en deze versterking der ontkenning was een gevolg van de omstandigheid,
dat de ontkennende kracht van het enkele
en
niet meer duidelijk gevoeld werd.
Tot staving der bovenstaande redeneering wijzen wij op de geschiedenis van het
bijwoord
maar
. Dit luidde oorspronkelijk
neware = het en ware = indien het niet ware
.
Voor het tegenwoordige:
ik heb dien man maar eens gezien
zeide men:
ik en hebbe
dien man
,
neware eens
,
gezien = ik heb dien man
niet
gezien
,
tenware eens
. Was
men nu de oorspronkelijke kracht van
en
blijven gevoelen, dan zou men zeker later
gezegd hebben:
ik en heb dien man
,
maar eens
, niet
gezien
. Doch dit geschiedde
niet; men bleef zeggen:
ik en heb dien man maar eens gezien
. Doordat men nu
echter den zin niet langer als een ontkennenden opvatte, begon men daarna soms
ook te zeggen:
ik heb dien man maar eens gezien
, totdat men eindelijk algemeen
het woord
en
als een nutteloos invoegsel over boord wierp.
1) Zie pag 5.
Taal en Letteren. Jaargang 2
Komentarze do niniejszej Instrukcji