369
vs. 357-359.
maar:
‘enkel’, ‘niets dan.’ Aan den oever der rivier heerschte stilte en
't was er onder 't geboomte zoo duister, dat hij er niets onderscheidde. Toch schenen
de wilden iets te hooren, want zij luisterden; toch schenen zij iets te zien, want met
fonkelende ‘weerlichtende’ blikken zagen zij naar 't verschiet.
vs. 360.
een wijle drijvens:
De wilden vergaten eenige oogenblikken het roeien.
-
dubble schrik
, namelijk voor B., wien nu niet alleen in de boot, maar ook daarbuiten
gevaar dreigde.
vs. 361.
het woudvier:
‘het vuur, in het bosch ontstoken.’
vs. 363.
ving
‘met het oor opving, hoorde.’
vs. 366.
in hun schroom en spijt
, metonymia voor: ‘in hunne schroom en spijt
verradende blikken en houding.’
vs. 367.
't rood gordijn dier blaêren:
rood gekleurd door de vlammen, die daarachter
verborgen waren.
vs. 370.
Het strand werd levend wijd en zijd
. Nu vertoonden zich aan alle kanten
de vijandelijke krijgers op het strand.
vs. 371.
verkeerden hun gezigten:
veranderden hunne aangezichten, die eerst
vrees hadden uitgedrukt; ze ontveinsden thans de vrees (vs. 375): deze was dus
niet verdwenen, maar zij waren nu besloten, zich mannelijk tegen de overmacht te
verdedigen. Daarom greep de voorste de kris, terwijl de achterste naar boog en
pijlen greep en de kracht der boogpees ‘beproefde’.
Schicht:
‘pijl’; vgl.
bliksemschicht
,
bliksemflits
en
bliksemstraal; flits
, fra.
flèche
is evenzoo ‘pijl’ en in 't mndl. was
straal
almede ‘pijl.’
vs. 379.
het oor leenen aan:
‘luisteren naar’; evenzoo fra.
prêter l'oreille à
.
vs. 381.
't geen
voor
dat
om de opvolging der
't
's te vermijden.
vs. 382.
een heek'laar:
een maker van spotliedjes, gelijk er zoovele in de 17
e
eeuw langs de straat werden gezongen. -
hekelen
een denominatief van
hekel
, een
houten bord met opstaande ijzeren pennen, waarover de vlasvezels worden gehaald,
ten einde ze te zuiveren; de scherpe zetten, in een hekeldicht of schrift voorkomende,
worden dus vergeleken bij de scherpe punten van dit werktuig.
Inkeer.
Motto
,
paai:
‘oude vent’, gewoonlijk met het bijbegrip ‘knorrig’.
roerdomp
, een vogel,
die vooral des nachts en des zomers een geluid maakt, ‘'t welk zeer grof is en
eenigermate zweemt naar 't loeijen van een stier’, zie
Taal- en Letterbode
I, 52.
Daarom heette hij in 't mndl.
watervar
en
watermael
, d.i.
waterstier
of
waterkoe
. Men
begrijpt nu, dat de
paai
(de oom) die 't voor geen roerdomp opgaf, een alles behalve
vriendelijk geluid deed hooren. Daar tegenover staat het
quantjen
(de neef) dat
‘lustig, vroolijk’ zong gelijk een lijster.
Taal en Letteren. Jaargang 2
Komentarze do niniejszej Instrukcji